The Fall




117 min. /
IND-GB-VS / 2006

Eerlijk gezegd dacht ik dat regisseur Tarsem Singh na zijn
fronsinducerende bizarrofest ‘The Cell’ voorgoed verdwenen
was in een macabere maar somptueus gedecoreerde alternatieve
dimensie, maar de man die naam en faam verwierf met videoclips en
reclamespots was eigenlijk heel die tijd bezig met zijn opvolger
‘The Fall’. Tarsem moest in eigen portefeuille tasten om de
financiering rond te krijgen, hij baseerde zijn spinsels op een
obscure Bulgaarse film met de gezellige titel ‘Yo ho ho’, en trok
letterlijk de hele wereld (gefilmd in meer dan 24 landen!) rond om
op de meest exotische locaties te kunnen filmen. Ambitieus is hij
wel, de uit India uitgeweken filmmaker die in zijn filmdebuut een
paard in reepjes liet snijden als esthetische verwennerij. Tarsem
laat nog maar eens zien dat hij visueel talent in overvloed heeft,
maar dat hij ook nog altijd nood heeft aan een scenarist die zijn
donkere kronkels aan een samenhangende verhaallijn kan hangen. ‘The
Fall’ heeft bloed, zweet en tranen gekost en is absoluut een lust
om met open mond naar te gapen, maar dat maakt het jammer genoeg
nog geen goede film. Alweer een paard voor niks gesneuveld.
Damn you, Tarsem!

Een ziekenhuis in Los Angeles, de jaren twintig van de vorige
eeuw. Of toch iets in die buurt. Alexandria (een hamsterschattige
Catinca Untaru) is een goedlachse meid van vijf die herstelt van
een sleutelbeenbreuk nadat ze uit een boom is gesukkeld. Ze leert
er stuntman Roy (Lee Pace) kennen, die na een fout afgelopen stunt
verlamd is aan de benen. Roy is depressief en kampt met
zelfmoordneigingen (hij is zijn lief ook kwijt, de sukkelaar), maar
de aanwezigheid van de guitige Alexandria wekt toch een glimlach en
een opgewekt gemoed bij hem op. Hij beslist om haar een sprookje te
vertellen over vijf ongewone helden (waaronder een in een
verenmantel gehulde Charles Darwin met een aapje als
sidekick!) en hun zoektocht naar wraak en gerechtigheid.
Via de naïeve verbeelding van Alexandria komt een kleurrijk en
surrealistisch avontuur tot leven dat eigenlijk een gebroken
afspiegeling is van Roys geestestoestand. Allemaal samen: wow,
heavy!

Net zoals bij ‘The Cell’ heeft Tarsem Singh een intrigerende
visie, die op puur esthetisch vlak knappe beelden oplevert, maar
waar zodanig weinig samenhang in te vinden is dat het uiteindelijk
niks meer wordt dan een mooi geboetseerd rommelpotje. Tarsem gaat
daarenboven zo ver in zijn onderschikking van een plot, verhaal,
personageontwikkeling (de helden hadden cool kunnen zijn, maar
raken nooit verder dan opvallend uitgedoste figuranten) aan de
nooit aflatende beeldenstorm dat ‘The Fall’ meer op een namiddagje
wandelen in een modern museum begint te lijken. Grootse decors,
geflipte ontwerpen (check dat Escheriaans labyrinth),
gedetailleerde attributen (de slavenkar met de slaven in de
wielen), kledij (van Cirque du Soleil-ontwerpster Eiko Ishioka),
zijn allemaal ongelooflijk knap gedaan, maar het is abstract,
klinisch en zielloos. En dan mogen daar nog zoveel visuele
motieven, parallellen en symbolen aan te pas komen, het raakt je
koude kleren niet.

Het op zich uitnodigende verhaal bood nochtans meer potentieel
dan de genrehutsepot van ‘The Cell’. Als een soort mengeling van
‘Pan’s
Labyrinth’
en ‘The Wizard of Oz’, met
een snuif ‘Cinema
Paradisio’
en een echo van ‘The Princess Bride’, krijgen we een
raamvertelling waarin realiteit en verbeelding steeds dichter bij
elkaar komen te liggen. De volwassen Roy vertelt de mythe als
verwerking van zijn recent opgelopen trauma, maar we zien het
verhaal door de ogen van de jonge Alexandria, die na verloop van
tijd ook zichzelf in het sprookje verzint. Die combinatie levert
aanvankelijk leuke spielerei op waarin Tarsem visueel met de voeten
van de kijker kan spelen (en dat doet hij graag hoor). Roy begint
over Alexander De Grote, Alexandria denkt er onmidddelijk de
omgeving, de gebouwen en een paard bij. Momenten later vertelt Roy
dat Alexander en zijn troepen verdwaald zijn in een eindeloze
woestijnlandschap. Tarsem draait de camera even om de achtergronden
aan te passen en wat manschappen toe te voegen. Nog eentje. Roy
heeft het over een ‘Indian’ (een indiaan dus), maar Alexandria
interpreteert en ziet hem als een Indiër, omdat ze nu toevallig een
Indiër kent in het echte leven. Enkel wanneer de onuitputbare
verbeelding van Alexandria en het vertelde sprookje speels met
elkaar botsen (ze lost joekels van deus ex machina’s op met een
vingerknip), lijkt ‘The Fall’ even de zachte polsslag te vinden die
het zo hard nodig heeft om het publiek te betoveren.

Maar ofwel overschat Tarsem de kracht van zijn beelden (de
olifant-onder-water-scène deed me trouwens heel hard denken aan een
Côte-d’Or-reclame, zo kunstzinnig is het dus allemaal niet), ofwel
kan het hem echt geen bal schelen dat het narratief langs alle
kanten rammelt. Een overgang van een opgezette vlinder naar een
eiland in de vorm van een vlinder is schitterend, een naar Zhang
Yimou-ruikende bruiloft met wapperende gewaden is sierlijk en de
grote finale waarin de demonen moeten bezworen worden is één van de
weinige set-pieces die het statische overstijgen, maar het
hangt allemaal zo fragmentarisch aan elkaar dat de hoogstandjes (er
kruipt iemand uit de hars van een boomstam!) vooral verwarring en
onverschilligheid opwekken. De regisseur vindt trouwens zelden
dynamiek of schwung in zijn style over
substance
-extravaganza. Elk shot zal wellicht dagenlang
voorbereid zijn (die lijkwade!), maar uiteindelijk raakt Tarsem
nooit verder dan een breed establishing shot om toch maar
zijn zorgvuldig uitgekozen locaties (olé, nog maar eens een
prachtig berglandschap) en decors in de verf te zetten. Er zit
actie in ‘The Fall’, maar die is op zo’n onkinetische en
artificiële manier gebracht dat je het nog nauwelijks actie kan
noemen. Die steriele mooifilmerij zorgt ervoor dat het logge ‘The
Fall’ zich meer dan eens vooruit moet slepen naar de volgende
visuele stoefscène.

Ironisch genoeg werken de sfeervolle scènes in het ziekenhuis
beter dan de kille tableaus in de fantasiewereld. Lee Pace mist
charisma (en degelijke dialogen), maar neuzenwrijverke
Catinca Untaru levert een ontwapenende vertolking waarmee
sporadisch wat herkenbaarheid en menselijkheid in ‘The Fall’
kruipt. En eigenlijk doet het ook eens bevrijdend deugd om Tarsem
niet nadrukkelijk bezig te zien met ‘zie toch eens wat ik allemaal
kan’-cinema. We weten dat je het kan, leer nu eens een deftig
scenario pennen.

‘The Fall’ is een visueel verbluffende ervaring die overschaduwd
wordt door een terminale oppervlakkigheid en een gebrek aan een
samenhangend en meeslepend verhaal. Prachtig om naar te kijken, en
een dikke pluim voor Tarsem en zijn creatieve team, maar het is zó
afstandelijk en gekunsteld dat zelfs de verwende oogjes na een
tijdje te beginnen knipperen van verveling. Zonde van de vele uren
en reizen die nodig waren om dit extravagante epos tot stand te
brengen, maar ‘The Fall’ is uiteindelijk niks meer dan een
duizelingwekkend mooie val in de leegte.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

negentien − achttien =