Phosphorescent :: Pride

De Londense Evening Standard noemde Matthew Houck bij zijn debuut onder het pseudoniem Fillup Shack "the most significant American in his field since Kurt Cobain". Gevoel voor nuance is de Britten altijd al vreemd geweest, maar het moet gezegd: ook met Pride, de tweede plaat onder zijn nom de plume Phosphorescent, blijft Houck een uiterst relevante artiest.

De meest relevante artiest in het domein van Phosphorescent is echter, de laatste keer dat we het nakeken althans, nog steeds Will Oldham. Het is op het oeuvre van die misnoegde grootstadpoëet dat zich het werk van Matthew Houcks eenmansband Phosphorescent ent. Maar Phosphorescent valt meer dan epigonisme te beurt. Hij werpt immers nieuw licht op Bonnie ’Prince’ Billy’s etherische art-folk en bouwt gestaag aan een volstrekt eigen genre dat zich misschien nog het best laat omschrijven als slowcore-gospel.

Belangrijkste basisprincipe bij Phosphorescent luidt eenvoudigweg: de stem is een instrument, want de zanger is een groep. Andere instrumenten dan Houcks eigen stem zijn immers heel schaars. Er is dat dramatisch accordeonnetje in opener "A Picture Of Torn Up Praise" en een prominent, ijl gitaartje in "Wolves" en "My Dove My Lamb" dat naast een fabuleus achtergrondkoor van dames en heren puntkomma’s zet bij de weemoed van de songs. Maar essentieel is dus Houcks eigen strottenhoofd die nu eens de schijnbaar niet aangeraakte melodie in slow motion doet aanzwellen tot een oratie van ravissante vocalen en dan weer de songs van bij het begin lardeert met een veelstemmig koor, waarin Houck tegelijk voor alt, tenor en bas speelt, zoals de excellente binnensmijter "A Picture Of Torn Up Praise".

Thematisch gezien balanceert Phosphorescent ergens tussen Sufjan Stevens, Elliott Smith en, hij weer, Will Oldham. Houck aanschouwt vanuit het oogpunt van een klein jongetje de razendsnel voorbijdenderende grote stad: in "Wolves" vertelt een paranoïde jongeling zijn donkere doodsangsten aan zijn moeder en "Cocaine Lights" met een briljant gearrangeerde coda van gejodel, gekrijs en gezang, is een poging om de kater te verzachten ("I will recover my sense of grace/ and rediscover my rightful place/ Yes and cover my face/ with the morning.")

Slechts twee nummers eindigen buiten categorie: "Be Dark Night" is een irritante, overbodige stream-of-consciousness, zonder begin noch eind, waarin Houcks eenmanskoor tot een gregoriaanse stemmenbrij vervalt, die ineenstort als een goedkope Aldi-flan. "At Death, A Proclamation" kleurt dan weer wél succesvol buiten de lijntjes met krachtige drums en een uptempo-beat (min of meer uptempo toch). Het is de enige, en dan nog een compacte, weerhaak binnen wat voor de rest een porseleinen plaatje is. Pride valt te consumeren tijdens de nachtelijke uren, wanneer de straatlantaarns een fosforescerend licht doen opschijnen in de vervaarlijk loensende blik van de weerwolven en leeuwen om de hoek.

Phosphorescent speelt op 12 april in de Kreun in Kortrijk en op 15 april tijdens het Domino Festival in de Ancienne Belgique in Brussel.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

14 − 7 =