Barton Fink




Er zijn twee verschillende soorten writer’s block, geen van
beiden erg plezierig als je tegen een deadline aankijkt en
uiteraard allebei met hetzelfde resultaat: hoe je er ook aan trekt
en sleurt, de woorden willen niet komen. De eerste soort is de
eenvoudigste – er dienen zich geen ideeën aan. Een wit blad papier
– of, tegenwoordig, een wit scherm – staart je aan met een soort
arrogantie: komaan, schrijf dan iets. Maar je kop blijft even leeg.
De tweede soort is zo mogelijk nog frustrerender: de ideeën
zijn er, maar ze willen niet helder worden. Ze vormen een
chaos in je kop en je zou urenlang kunnen praten over al de
prachtige dingen die je wilt schrijven, maar het effectief op
papier zetten lukt maar niet. ‘Barton Fink’, de derde film die de
gebroeders Coen schreven en de vierde die ze regisseerden, gaat
niet alleen over dat syndroom, maar is er ook het resultaat van.
Tijdens het schrijven van ‘Miller’s Crossing’
kwamen de broertjes compleet vast te zitten en om hun blokkage te
overkomen, wierpen ze zich dan maar op ‘Barton Fink’. ‘t Is bijna
ongelooflijk hoe zo’n complex, surreëel netwerk aan symbolen en
betekenislagen ooit kan zijn geschreven om als break te
dienen van een ander project. Dit is hoe een tussendoortje van de
Coens er uitziet – als beloning voor hun moeite kregen ze een nooit
geziene drie prijzen op het Festival van Cannes: de Palme d’Or, de
prijs voor de beste regie én beste acteur voor John Turturro.

Turturro speelt het titelpersonage, een toneelauteur die anno
1940 een succes scoort op Broadway met een links-liberaal
geïnspireerd toneelstuk over de “gewone man”. Al vanaf de eerste
scènes wordt duidelijk het Barton Fink menens is: hij wilt Serieus
Theater maken, met de hoofdletters erbij. Een nieuwe theatervorm,
van en voor het gewone volk. Maar dat neemt niet weg dat wanneer
Hollywood hem opbelt om een scenario te komen schrijven, hij binnen
de kortste keren in Los Angeles staat. Barton neemt zijn intrek in
het Hotel Earle, een groezelig pand waar het altijd snikheet is en
het behang van de muren krult. In opdracht van filmbons Jack
Lipnick (Michael Lerner speelt een personage dat duidelijk op Louis
B. Mayer is gebaseerd), begint Barton in zijn smerige kamertje een
worstelfilm te schrijven. Maar de inspiratie blijft uit. Hij maakt
kennis met zijn buurman, de joviale verzekeringsagent Charlie
Meadows (John Goodman), tegen wie hij lange speeches afsteekt over
zijn literaire en dramatische filosofie, maar ondertussen blijft
het vel papier in zijn typemachine blanco.

Het is moeilijk om ‘Barton Fink’ vast te pinnen op een bepaald
thema, omdat er zoveel verschillende dingen worden aangehaald, maar
het belangrijkste is waarschijnlijk het onderscheid tussen mensen
die over hun kunstenaarschap praten, en degenen die er effectief
mee bezig zijn. Barton lult onophoudelijk over zijn ambities, hij
neemt zichzelf dodelijk serieus en schijnbaar heeft hij over alles
wat hij doet eindeloos nagedacht – hij is het soort mens dat
mentaal continu interviews zit te geven die ze in het echte leven
nooit van hem zullen afnemen. Hij heeft de mond vol over de gewone
man en kunst die dichter bij de mensen staat, maar wanneer Charlie
voor hem zit en hem als “gewone man” zegt dat hij interessante
verhalen te vertellen heeft, luistert Barton niet. Hij is te druk
bezig met zijn eigen pompeuze theorieën om interesse te kunnen
tonen in het soort mensen waarover hij probeert te schrijven.
Barton is ziende blind, wat de Coens op verschillende punten
illustreren: wanneer het behangpapier naar beneden komt in zijn
kamer, wilt hij niet kijken naar de vuiligheid die zich er onder
bevindt. Hij zoekt enkel naar manieren om het papier weer op z’n
plaats te krijgen. Hij luistert niet naar Charlie – de gewone man,
live in zijn slaapkamer! – omdat hij daar te egocentrisch voor is.
Hij maakt kennis met de schrijver W.P. Mayhew (John Mahoney in een
rol die gebaseerd is op William Faulkner), maar hij ziet niet in
dat de grote schrijver van vroeger tegenwoordig een ordinair
drankorgel is geworden. En wanneer hem aan het einde een
mysterieuze doos wordt gegeven, doet Barton die niet open.

Op die manier wordt ‘Barton Fink’ een portret van iemand die
over het leven wilt schrijven zonder er aan deel te nemen. Hij
heeft in zijn hoofd zijn wereldbeeld gevormd, zijn theorieën over
het leven staan als een huis overeind en niets mag die verstoren.
Zeker de werkelijkheid niet. Maar die realiteit wordt hoe langer
hoe moeilijker te ontkennen: dat hij geen groot schrijver is. Dat
hij hopeloos geblokkeerd zit. De film evolueert naar een
claustrofobische pseudo-thriller, die soms herinneringen oproept
aan het vroege werk van Roman Polanski (‘The Tenant’,
bijvoorbeeld), in de zin dat het het verhaal is van een man die
alleen op een kamertje zit en gaandeweg behoorlijk aan cabin
fever
begint te lijden. Een groot deel van de film zou zich
wel eens alleen in Bartons gedachten kunnen afspelen, wie zal het
zeggen?

En dat is dan nog allemaal buiten het metafysische aspect van de
film gerekend – ‘Barton Fink’ wordt steeds surrealistischer, tot er
zich zelfs vergelijkingen met de films van David Lynch opdringen.
Het einde is een apocalyptische confrontatie met John Goodman als
de duivel. Is het hotel echt de hel? Voor een schrijver met
writer’s block is eender welke plaats waar hij moet schrijven de
hel.

‘Barton Fink’ is nog steeds de meest verrassende en veeleisende
film van de gebroeders Coen, omdat er ditmaal geen duidelijke
generereferenties in te vinden zijn. Normaal gezien spelen de Coens
met de conventies van een bepaald genre, hier produceren ze een
eigenaardige mengeling van verschillende genres, die uiteindelijk
allemaal ten dienste staan van een erg metaforisch verhaal. Niets
hier is wat het lijkt – de personages niet, het verhaal niet, zelfs
de setting niet.

Visueel is ‘Barton Fink’ in ieder geval een tour de force. De
Coens werkten voor het eerst samen met Roger Deakins, die een
ranzige sepia-glans over alles ligt. De filmmakers zijn blijkbaar
gefascineerd door lelijkheid en groezeligheid: het vocht dat in het
hotel van de muren druipt. Het vettige behangpapier. Het pus dat
uit het ontstoken oor van John Goodman loopt. Naarmate het verhaal
voortgaat, lijken de muren dichterbij te komen – de claustrofobie
van Barton is echt voelbaar, wat voor een erg oncomfortabele
kijkervaring zorgt, in de best mogelijke zin.

John Turturro is bovendien uitstekend als Barton – hij weet van
zijn personage een arrogant, pretentieus windei te maken, maar wel
één voor wie je nog een zeker begrip kunt opbrengen. Dit is iemand
die zodanig vastzit in zijn eigen gedachten, dat hij geen seconde
lang los kan komen van zichzelf om met andere mensen bezig te zijn.
Dat maakt van hem geen aangenaam mens, maar wel een boeiend
personage, en Turturro speelt hem met een koortsachtige
intensiteit. John Goodman levert hier de beste prestatie die hij
ooit gaf in een Coenfilm – misschien wel in eender welke film. De
manier waarop hij van hartelijke werkmens de overgang kan maken
naar gevaarlijke gek en weer terug, is echt fascinerend en
overtuigend.

‘Barton Fink’ is een lastige film, en één waar je eindeloos over
kunt blijven argumenteren. Waar gaat het nu echt over? Zoals wel
vaker in dit soort films, ligt de bestaansreden ervan niet in de
antwoorden, maar wel in de vragen.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

6 + 18 =