Bear Claw :: Slow Speed :: Deep Owls

Als noeste producer- en mix-arbeid een royaal pensioen zou
opleveren, dan wreef Steve Albini zich nu ongetwijfeld al met een
kapitalistische grijns om de lippen in de handen. Zijn studio heeft
ondertussen meer de allure van een duiventil, maar bijna al de
bands die hij onderdak verleende, kenden een snelle vlucht naar
artistiek en soms ook commercieel succes. Onlangs zette de man nog
de laatste louterende pelgrimstocht van Om op een geluidsdrager en
nu is de minder meditatieve tweede plaat van Bear Claw aan de
beurt. Beide bands scheppen hun muzikale universum met louter bas
en drums, maar in tegenstelling tot de in gebeden verzonken
monniken Chris Hakius en Al Cisneros, schuwt dit Amerikaanse trio
de geselroede niet. Tijdens het verorberen van ‘Slow Speed: Deep
Owls’ zal dan ook geen contemplatieve trance over u neerdalen, maar
uw rug zal omgevormd worden tot een ruw landschap van bloederige
striemen. Met hun loden sound speelt Bear Claw een sarcastisch spel
tussen pijn en verlossing dat in liefhebbers van gemene postpunk en
lage bas-kopstoten gewillige slachtoffers zal vinden.

Naast Steve Albini werkte ook Bob Weston mee aan de productie van
deze plaat. Beiden vormen de gitaartandem van Shellac en dat de
sound van Bear Claw besmet lijkt met de bezeten waanzin van
hondsdolheid hoeft dan ook niet te verwonderen. Het enige verschil
met het Amerikaanse noiserock-trio schuilt in de instrumentatie.
Bear Claw speelt met twee basgitaren en daardoor klinkt hun sound
iets botter dan de glimmende degens van de drie musketiers van
Shellac. Daardoor haalt Bear Claw niet de furieuze snelheid van de
Italiaanse windhond op Shellacs laatste album, maar ‘Slow Speed:
Deep Owls’ is een nog meer dan fitte labrador die eveneens zonder
omkijken naar de halsslagader vliegt en met dichtgeschroefde kaken
z’n prooi geen kans geeft. Wat Bear Claw mist aan originaliteit,
maakt het Amerikaanse trio goed met schuimbekkende agressie die de
luisteraar in een houdgreep houdt.

Het titelnummer en tevens opener van de plaat laat nochtans nog de
illusie aan de luisteraar dat vluchten een optie is. De bassnaren
worden gestreeld en spinnen als een voldane kater die afgelopen
nacht een recordaantal muizen naar binnen heeft gespeeld. De
snare-roffel van ‘Short But Sweet’ maakt echter onmiddellijk
duidelijk dat die ingetogen proloog slechts uiterlijke schijn was.
De twee basgitaren vechten om een been, maar de strijd is zo gemeen
dat Rich Fessler ondanks zijn interventies van woeste parlando er
niet mee weg durft te lopen. In ‘Distant Apology’ preekt hij de
gitaarpartijen echter wel naar hun hok. De man klinkt als het
schizofrene kleine broertje van Steve Albini die een einde wil
maken aan zijn positie in de schaduw. Beiden zijn geen grote
zangers, maar hun urgentie verdoezelt een gebrek aan zangtechnische
capaciteiten. Wanneer Fessler tijdens ‘Slippage’ het speeksel van
z’n mondhoeken veegt en een normale zangstem uit z’n rauw
geschreeuwde strot probeert te halen, klinkt het resultaat dan ook
ronduit banaal, alsof Tom Araya van Slayer zich aan een
falsetto waagt. Ook ‘By Popular Demand’ wordt op die manier om zeep
geholpen.

Het mag duidelijk zijn: Bear Claw is op z’n best wanneer het zweet
en het bloed van de instrumenten druipen. De band levert de
soundtrack bij de minder vertederende momenten uit
natuurdocumentaires waarbij gevoelige zielen hun ogen dichtknijpen.
Liet de grizzly op de platen van Tomàn zich nog betrappen op
vredelievende momenten en gracieuze bewegingen, dan breekt het
exemplaar op deze plaat lomp de ruggengraat van de luisteraar.
‘Embrace’ is dan ook een erg ironische titel voor een song die
weinig genade kent. Fessler prevelt soms afwezig zijn teksten, maar
de hard/zacht-dynamiek is zo bloeddorstig als Dracula op een streng
dieet.

In een cynische bui zouden we stellen dat Bear Claw weinig meer is
dan een Shellac-coverband die zich daarenboven beperkt tot de
minder straffe songs van Steve Albini en co. Bovendien duurt de
plaat ook een paar nummers te lang, waardoor zelfs dit gevecht op
leven en dood naar het einde toe begint te vervelen. Toch blijft de
kale, botte sound van ‘Slow Speed: Deep Owls’ bij momenten
onweerstaanbaar en liefhebbers van baslijnen die onzacht met elkaar
in aanraking komen, zullen likkebaardend genieten. Enkel te
consumeren door ruwe bolsters!

http://www.myspace.com/bearclaw

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

12 + 15 =