The Mark of Cain




90 min. / UK /
2007

Normaal gezien heb ik er een hekel aan wanneer nieuwsprogramma’s
de straat op trekken om aan “gewone mensen” te vragen wat ze denken
over een nieuwsfeit. Er kan geen bekende figuur z’n kop komen te
leggen, geen oorlog uitbreken of geen minderjarige vermoord worden
zonder dat er de één of andere nieuwsploeg het nodig vindt om na te
gaan wat “de man van de straat” daarvan wel mag denken terwijl hij
zich over de gemiddelde zondagse markt begeeft, selder trots
priemend uit zijn netzak. Veel wijzer word je van die verzamelde
verzuchtingen doorgaans niet, maar één keer heb ik toch een mooie
samenvatting gehoord van een politieke situatie. Een Londenaar werd
gevraagd naar zijn mening op het niet bijster spontane aftreden van
Tony Blair, en hij antwoordde: “Blair heeft heel wat sociale
veranderingen doorgevoerd, maar hij zal herinnerd worden als de man
die Bush achternaliep naar Irak. Ondanks al zijn goed werk, zal
zijn hele ambtstermijn in de schaduw daarvan blijven staan. Omdat
het zo’n vuile, foute oorlog is.” En verdomd, die man had gelijk.
Het aandeel van de Britten in Irak is zo mogelijk nog tragischer
dan die van de VS, omdat er in Engeland nooit echt veel publieke
steun voor is geweest. Marc Munden heeft nu, met ‘Mark of Cain’,
één van de eerste Britse films gemaakt over de Irakoorlog, en
hoewel zijn prent een aantal mankementen heeft, is het in ieder
geval een pakkende illustratie geworden van wat de man op de markt
al zei – het is een vuile, foute oorlog.

Mark Tate (Gerard Kearns) en Shane Gulliver (Matthew McNulty),
zijn twee achttienjarige jongens uit een arbeidersdorpje, die in
2003 vertrekken om dienst te doen in Basra. Daar komen ze al snel
te weten dat hun job niet zozeer het handhaven van een bestaande
vrede is, als wel het opleggen van gehoorzaamheid in de regio.
Nadat hun alom populaire kapitein Godber om het leven komt in een
aanval, besluiten de mannen uit de eenheid van Mark en Shane om
wraak te nemen. Onder leiding van hun korporaal Gant (Shaun Dooley)
pakken ze twee quasi-willekeurige verdachten op, die voor het gemak
worden verondersteld de fatale aanslag gepleegd te hebben. Die
nacht laat de hele eenheid het beest in zichzelf los: de verdachten
worden gemarteld en vernederd, tot één van hen in een onomkeerbare
coma terechtkomt. Eens de soldaten weer thuis zijn, komen er een
aantal foto’s van de martelingen aan het licht. Mark en Shane
krijgen de volle laag en moeten zich verantwoorden voor de
krijgsraad, terwijl de anderen vrijuit gaan.

Dat verhaal is duidelijk gebaseerd op de gebeurtenissen in Abu
Ghraib, waar een groepje Amerikaanse soldaten gelijkaardige
folteringen pleegden op Iraakse gevangenen. De vraagstelling die
Marc Munden daar aan ophangt, is niet bepaald nieuw, maar wel nog
altijd relevant: waar begint en eindigt je morele
verantwoordelijkheid tijdens een oorlog? Je kunt natuurlijk als
individuele soldaat besluiten om niet mee te doen aan dergelijke
praktijken, maar wat als het van je verwacht wordt? Wat als
iedereen het doet, inclusief je directe oversten? Hoe sterk sta je
dan nog in je schoenen – zou je dan meedoen? De meeste mensen
zouden als antwoord op die vraag waarschijnlijk antwoorden: “Ik zou
nooit…” De Amerikaanse soldaten in Abu Ghraib, of de personages
in deze film zouden dat op voorhand óók hebben gezegd, tot ze zich
in die situatie bevonden. “Morele moed”, wordt het genoemd in de
film. De moed om een immoreel bevel te weigeren. Maar hoe hou je
dat vol, als je weet dat je daardoor het risico loopt om een paria
te worden in je eigen groep – een groep waarmee je de volgende dag
misschien weer tussen de kogels moet lopen?

Het is door middel van die vraagstelling dat Munden zijn
personages weet te humaniseren. Wat we zien, zijn jonge, naïeve
kerels, die met hun achttien, negentien jaar niet thuishoren in een
oorlog. Ze proberen emotioneel te overleven door een soort van
ersazt-familie te vormen – noem het gerust een band of brothers
en loyaliteit is daarbij van levensbelang. De regisseur
vraagt geen sympathie voor wat de soldaten doen, maar hij dwingt
ons wel om te begrijpen hoe het zover is kunnen komen, en hij geeft
en passant het leger een fikse veeg uit de pan: wanneer de
zaak aan het licht komt, worden Mark en Shane immers als
zondebokken uitgekozen, opdat mensen hogerop de ladder buiten schot
zouden blijven. Zo zie je maar dat er sinds Kubricks ‘Paths of
Glory’ nog niets nieuws onder de zon is.

Munden giet dat alles in een vrij sterk drama. De scènes in Irak
zijn verreweg de beste, met een voelbare spanning: de soldaten
vechten tegen een onzichtbare vijand, die zich schuilhoudt in de
smalle straten van Basra en gebruik maakt van venijnige booby
traps.
De paranoia loopt zo hoog op dat zelfs een leeg
colablikje op straat genoeg is voor een algemeen alarm. Die stress,
die gedachte “het kan hier elk moment gedaan zijn”, komt erg sterk
uit de verf, en ook de relaties tussen de soldaten zijn
geloofwaardig. Kearns en McNulty spelen hun naïviteit zonder te
verzanden in onnozelheid, en Leo Gregory is een uitschieter als
Quealy, een volbloed rotzak die een bedreiging vormt voor iedereen
die hij ontmoet, Brit of Irakees.

Het is pas wanneer de soldaten weer naar huis gaan, dat ‘Mark of
Cain’ een tikkel conventioneler en voorspelbaarder wordt. De
geleidelijke mentale breakdown van Mark wordt wat al te
dik in de verf gezet (let op een scène waarin hij plots naar zijn
korporaal begint te blaten als het lam der zonden dat hij is
geworden), en ook een eindscène tijdens het proces voor de
krijgsraad is er lichtjes over. De bedoelingen zijn nog steeds erg
nobel, maar op die momenten wordt het script van Tony Marchant te
nadrukkelijk didactisch. Het publiek snapt echt wel hoe
onrechtvaardig het is dat twee soldaten er uit worden gepikt om
alle schuld te dragen. En het begrijpt ook best wel hoe moeilijk
het is om correcte morele keuzes te maken als je eigen oversten een
slecht voorbeeld geven. Om dat duidelijk te maken, heb je geen
dronkemanstirades nodig en geen lange speeches voor een rechter. En
het is al zeker niet nodig om maar liefst drie keer nadrukkelijk de
titel te verklaren (zou het trouwens toeval zijn dat het
hoofdpersonage Mark heet? Vast niet.)

Dat is dus wel jammer: ‘Mark of Cain’ begint met een geweldig
eerste uur, maar lijkt in de laatste dertig minuten plots schrik te
krijgen dat de inhoudelijke punten niet duidelijk genoeg zullen
zijn, zodat er plots erg hard op gehamerd wordt. Spijtig, maar het
neemt niet weg dat de sequenties in Irak soms geweldig spannend
zijn, dat de acteurs prima presteren en dat er interessante thema’s
worden aangesneden, die de moeite van het verfilmen waard zijn. Dus
toch maar eens gaan kijken.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

zeven + zeven =