Dour 2007 :: Roodverbrand glimlachen op Kafkaiaanse hoogten

Uitgeslapen en dan nog eens met een fris hoofd het liveverslag van Dour bekeken, geschrapt, verhelderd, verbeterd, uitgebreid en een tiental keer uitgeweid. Zonder blabla maar wel veel boemboem: goddeau’s grote Achterafverslag van Dour 2007.

Dag een: Oyoyoyo

Dour groeit elk jaar weer, en met haar omvang neemt ook keer op keer de chaos in de organisatie toe. Met deze uitverkochte editie bereikte die schier Kafkaiaanse hoogten: niemand weet van iets, bewegwijzering is onbestaande en overal zitten massa’s strop. Zit Dour dan toch stilaan tegen haar plafond aan?

Hoewel de weerberichten ons stralend zomerweer beloofden, moeten we het op de eerste dag nog even met slijk en grijze lucht stellen. Onder dit gesternte blijkt Blutch de gedroomde opener voor La Petite Maison Dans La Prairie: geen lieflijke fluisterliedjes, maar een moddervette stroom van teringherrie die zich ergens tussen stoner, noise en doom in kronkelt. De goedgevulde tent loopt al gauw leeg, tot enkel de moedigsten overblijven. Hoe fascinerend en goed gebracht het allemaal ook moge zijn (de sobere lichtshow rendeert maximaal bij het oproepen van een apocalyptisch sfeertje), na een minuut of vijfentwintig zijn we compleet murwgeslagen, en met ons ook de band, die rijkelijk z’n tijd neemt om rustig uit te bollen. Onze belangrijkste les hebben we dan echter al lang geleerd: het Donderende Onheil heeft haar tot op z’n navel.

Ook Om tapt uit hetzelfde weinig verfijnde vaatje. Het duo halve Neanderthalers, dat we al kennen van de experimentele doom-grootheid Sleep, brengt een bescheiden massa op de been die wél van plan is te blijven. Vooral drummer annex manbeestmachine Hakius imponeert en lijkt eerder voor het métier van houthakker in de wieg gelegd, terwijl de splinters van z’n vuistdikke en schokkerig neergeramde drumstokken de ietwat schuw hoofdknikkende bassist Cisneros rond de oren vliegen.

Eté 67 probeert op The Last Arena veertig jaar later iets van die hete zomer der liefde naar Dour te brengen, maar met de weergoden behoorlijk slecht gezind, is het bij wijlen vechten tegen de bierkaai. Toch slaagt de formatie rond Raphaël Breuer er in wat leven in het prille festival te blazen. Tot nader orde blijft hun zonnige backdrop het fleurigste dat we vandaag gezien hebben, maar bij nummers als “Dis moi encore” en “On nous cache tout, on nous dit rien” (van Jacques Dutronc) zijn de “lalala”’s toch ook niet van de lucht.

Triggerfinger drijft grotendeels op een steengoeie drummer: Mario Goossens lijkt al lang zowat de enige te zijn die méér wil dan enkel routineus rocken onder het mom van onblusbare cool. Daarin vormt het optreden van vandaag geen uitzondering; nochtans heeft de band wél songs, zoals het bewijst met “On My Knees”, dat verwelkomd wordt met laaiend enthousiasme, net als het onbehoorlijk lang uitgesponnen “Commotion”.

Year Of No Light lijkt zich dan weer de onzalige missie aangemeten te hebben om, nu post-metal langzaamaan zijn stekje in de muziekcatalogi veroverd heeft, hetzelfde te vrijwaren voor iets dat we maar gemakkelijkheidshalve zullen omschrijven als post-emo. Het klinkt verdacht veel als Isis op een inspiratieloze dag: de sound zit snor, maar niets blijft hangen. Volgende keer beter, jongens.

De zoektocht naar all things zonnig gaat ondertussen onverdroten verder met de oude knarren van The Skatalites die vandaag voor hét feestje zorgen. “Simmer Down” van Bob Marley gaat er in als zoete koek en ook op “Sugar Sugar” host het volkje lustig voort van zijn “oyoyoyo”’s. The Skatalites zijn een verdomd aangename verrassing.

Vive La Fête mag vanavond bijna-headlinen en doet dat met de overtuiging die dit vraagt: de hoofdact moet en zal hierna verbleken (nuja, Wu-Tang Clan zal ook niet eens moeite doen) en daartoe gilt, krijst en kirt Els Pynoo zich op haar hoogst eigen wijze een weg door nummers als “Stupid Femme” en “Schwarzkopf”. Opvallend overigens hoe de gitaar in deze stroboscopische show vandaag het hoge woord voert, waar vroeger de bliepjes overheersten.

Tijd om wat met de beentjes te zwieren op Tiefschwarz. De beukende electro-house van de broertjes Ali en Basti Schwarz lokt her en der voetbalkoren uit, maar is net iets te monotoon om ons lang aan de gang te houden. Bonobo dan maar? Simon Green probeert zijn studioproject live naar de planken te vertalen en slaagt daar maar matig in. De groep zwalpt tussen ellendige cocktailjazz en triphop met heerlijke Four Tetriedeltjes en kan maar niet in het voordeel van één van beiden beslissen. The poor man’s Jazzanova? Af en toe helaas wel, maar soms ook best mooi.

Wu-Tang Clan is een beetje het Metallica van Dour: ze laten meer dan een kwartier op zich wachten voor een publiek dat zéér benieuwd is om deze reuzen van de hiphop te zien. Het druipt al even snel weer af als blijkt dat de groep – ze hebben een traditie hoog te houden – er een potje van maakt. Net als bij de metalen kabouter Plops zijn ook voor hen de hoogdagen al lang verleden tijd. Treurig.

“Schattekes, naa allemaal van het podium alsteblieft, der is ne stekker uitgetrokken”: Tom Barman heeft zich iets op de hals gehaald. Half de tent op het podium uitnodigen is natuurlijk ook om problemen vragen, zelfs al zijn de glunderende gezichtjes geld waard. Verder geen klachten over de puike DJ-set van Magnus, maar wij gaan nu wel slapen. Dour 07 is en cours de route!


Dag twee: Shakedooooooooown

Een ochtendlijke regenbui later is het festivalterrein herschapen in een modderpoel. Dour lijkt een natte toekomst tegemoet te gaan, maar dat verandert snel eenmaal de zon hoog aan de kim staat. Gelukkig maar, want dag twee heeft een programma waar veel over-en-weer-gespurt aan te pas zal komen.

De twijfelachtige eer een halfvolle Clubciruit Marquee te openen valt de Limburgers van The Rones te beurt. Het daglicht dat de tent binnenpriemt doet de groep echter geen deugd: voor één keer kan het vijftal zich niet verbergen achter een volledige mistbank in rood tegenlicht, en hun muziek valt dan ook pijnlijk door de mand: we horen het beukende geluid van de laatste Millionaire en voor jonkies uit het bronsgroen eikenhout ronduit belachelijke teksten over drugsgebruik. Veel verpakking, maar geen inhoud.

Groot in Wallonië, maar ook alleen daar: My Little Cheap Dictaphone. Enkele jaren terug debuteerde Redboy — de man achter de groep — met de orkestrale pracht van Music Drama, vorige zomer ontgoochelde opvolger Small Town Boy echter: de grandeur had plaatsgemaakt voor een weinig overtuigend rootsy rockgeluid. Ook vandaag kan de triobezetting van de groep niet bekoren en prachtnummers als “Am I Your Friend” passeren een beetje bloedeloos. Jammer.

Gelukkig zijn er geen tekenen van bloedarmoede te bespeuren bij het Zweedse viertal Sounds Like Violence. Afgezien van de foute witte broeken, valt vooral de krachtige stem van frontman Andreas Soderlund op. Met het nodige melodrama werkt hij zich door enkele uiterst stevige indierockers. Vaak nogal eentonig, maar met nummers als “Glad I’m Losing You” of “Wrong” bewijst de band toch iets in zijn mars te hebben.

“Tonight we dine in hell”, zo verzekert zanger Scott Vogel ons bij aanvang van de set van Terror. De publieksmenner krijgt de tent zonder veel moeite als één hecht blok gelijkgezinden (“family“, in zijn woorden) achter z’n band, die old school hardcore doorspekt met enkele spijkerharde breakdowns. Het groepsgevoel viert hoogtij terwijl de tent met songs als “Always The Hard Way” langzaam gaar gestoomd wordt, maar niemand die onder de hitte schijnt te lijden. Waar Terror ten dans speelt, wordt er immers gefeest. En niks anders.

Animosity heeft haar stek op het Dourfestival te danken aan een package-deal met (het ons petje overigens ver te boven gaande) Converge. De ontoegankelijke, bijna mathy deathcore klinkt wat als een extreme light-versie van de mecenas-band en krijgt maar weinig bijval. Bovendien is de ronduit ongezonde mix (luider en vooral pijnlijk scherper dan het altijd al met weinig zin voor nuance afgestelde geluid in de Eastpak-tent) ook al niet van die aard om de vele afwachtenden snel voor het gezelschap te winnen. Afsluiter “A Passionate Journey” maakt een klein half uur te vroeg een einde aan de set, maar niemand die daar echt om lijkt te malen.

Sean Lennon is meer dan de zoon van die ene Beatle, hoewel zijn karakteriserende ronde hoornen bril anders doet vermoeden. In het verleden heeft Lennon zich echter al bewezen met de niet onaardige debuutplaat Into The Sun. Op Dour plukt hij vooral uit zijn tweede album, het vorig jaar verschenen Friendly Fire. In de brandende namiddagzon, en met een bijhorend apatisch publiek, komen de liefelijke luisterliedjes van Lennon jammer genoeg niet tot hun recht.

We huppelen dartel verder naar La Petite Maison dans la Prairie. Daar spelen immers vriendjes van Beirut, en dat hoor je er aan: A Hawk And A Hacksaw is een tweemans Balkanorkestje dat met drums, accordeon en viool een melancholische polonaise op gang trekt die de tent volledig aan het hossen krijgt. Het publiek krijgt bij de bissen nog de keuze tussen een snelle of een trage, maar dat had de groep eigenlijk vooraf al kunnen weten: tijdens de ingetogen nummers was de verveling van sommige gezichten af te lezen. Leuk, maar wij blijven stiekem toch dromen van een Belgisch optreden van Beirut.

Uitkijken was het naar het optreden van The National. De groep heeft met Boxer een eindejaarslijstjeskandidaat uit die zelfs haar al puike voorganger Alligator overklast. Live doet de groep daar nog een berg schepjes bovenop. Zanger Matt Berninger negeert het publiek een beetje en gaat helemaal op in de nummers, terwijl Padma Newsome van achter zijn toetsen en viool het geluid inkleurt. Jammer dat de zang wat verloren loopt in de mix en dat het volle zonlicht nou niet de ideale omstandigheden voor de donkere tinten van de groep biedt. En toch: prachtoptreden dat héél erg lekker maakt voor de passage van de groep deze herfst in de AB.

Op het Red Frequencypodium geeft Herman Düne het beste van zichzelf en dat is de fijnste soundtrack die we bij het late middagzonnetje kunnen bedenken: heerlijk simpele meezingers als “I Wish That I Could See You Soon” nopen tot meewiegen en roodverbrand glimlachen. Helaas durven de Hermannen wel eens de richting verliezen, zo halverwege een nummer, en blijft het allemaal maar wat ter plaatse trappelen.

Aangekondigd als dé grote Waalse belofte, slaagt The Tellers er niet in om de verwachtingen helemaal in te lossen. Daarvoor klinkt de band wat te routineus. Niet dat dat die enkele tientallen fans vooraan kan storen. Er wordt een eind weggegild, zeker voor single “Second Category”, die achteraan de set verstopt zat. Het nieuwere werk krijgt ook de handjes op elkaar, en frontman Ben Baillieux-Beynon weet het publiek te bekoren met zijn akoestisch solostuk. Goed, maar niet onverdeeld geweldig, zoals hier en daar toch verwacht werd.

Op The Last Arena krijgt Hot Chip de grote openluchttest voor de kiezen. Dat de groep met haar electrofunkhouse elke club binnen de kortste keren zwetend binnenste buiten kan keren, is geen geheim meer, maar zo’n in de zon bakkende weide? Na een goed jaar touren met het werk van The Warning blijkt dat geen énkel probleem te zijn voor het behoorlijk nerdy uitziende gezelschap. “No Fit Shape” en “Over And Over” zijn maar een paar van de songs die de wei genadeloos platwalsen, en ook nieuw werk passeert met evenveel vaart. We zullen het nog maar eens duidelijk zeggen: bleke brildragers zijn funky as hell.

Op naar Sharko dan maar: het olijke trio toont zich op de voor een kwart gevulde Red Frequency-wei een rasechte festivalband die zowel grossiert in vrolijk lullige meezingliedjes (“Excellent, I’m Special” en “No Contest, I’m The Best” zullen ons in onze meest lichtvoetige dromen nog lang achtervolgen) en erg meehumbare stampriffjes. Het meesterschap ligt echter nog net niet binnen bereik: daarvoor moest de meeslependheid het te veel van zijn momenten hebben. Gelukkig is het Waalse fanboy-publiek erg vergevensgezind.

“Shakeshakeshake” in The Last Arena: The Rapture komt, ziet, en overwint na één snok aan de bas van Matt Safer. Met de nadruk op nummers uit het recente Pieces Of The People We Love raast de band aan zo’n rotvaart door haar oeuvre dat het optreden er al na vijftig minuten op zit. Niet erg, want we hoorden bijna alleen maar hoogtepunten: een lang uitgesponnen “First Gear”, “Whoo! Alright – Yeah… Uh Huh” en het ultieme “House Of Jealous Lovers”. Shakedooooooooooown, indeed!

Met een verzengende show krijgt Sick Of It All z’n publiek snel op haar hand: de NYHC-veteranen tekenen voor één van de voorlopige hoogtepunten van het festival. Hiernaast leest u er meer over in een uitgebreid verslag. Na zo’n intense live-ervaring komt Clap Your Hands Say Yeah er maar bekaaid vanaf. Fontman Alec Ounsworth ziet er voor een keer eens goed uitgeslapen uit, en lijkt voor een moment even enthousiast te worden. Zijn gebruikelijke geneuzel klinkt soms zelfs enigszins verstaanbaar. Het publiek is echter niet helemaal mee, en terecht: de songs van het tweede album Some Loud Thunder zijn niet bepaald lichtende hoogtepunten, ook live niet. Gelukkig passeert er ook nog wat materiaal van het debuut de revue. “Home On Ice” mag onthouden worden als een leuk livenummer van een band die toch iets te hoog op de affiche staat.

Noemden we hem ooit “De nieuwe Dylan? Met een smetteloos wit countrypak doet Conor Oberst tegenwoordig een gooi naar de status van een nieuwe Gram Parsons. Bright Eyes bestaat vandaag uit twaalf muzikanten die Oberst gevat en gedoseerd begeleiden bij een eigenzinnige set die vooral het nieuwe Cassadaga naar voren schuift en de bekende nummers schuwt. Ondanks het groen op het podium en het algemene showelement blijft de groep aan de juiste kant van de grens met Nashville: Bright Eyes is een naam die de top van zijn kunnen nog niet heeft bereikt.

Verzorgen dus “maar” de aftershow: Goose, dat de consequente dansrockline-up op The Last Arena mag besluiten. Het moet van Worst Case Scenario geleden zijn dat een Belgisch debuut nog eens zoveel indruk maakte: op minder dan een jaar tijd mocht Goose Dour headlinen, na passages op Pukkelpop (toen nog ergens in een kleine tent) en Werchter. Heel veel is er sindsdien niet meer veranderd aan de show — hier een nieuw nummer, daar een remixje — maar hey: if it ain’t broken, don’t try and fix it. Goose bewees dat het met zijn opruiende, pompende electrorock een groot openluchtpodium aankan en het vele volk daarvoor zette het nog geen beetje op een dansen.


Dag drie: Marihuana!

De eerste zonnebrand begint zich af te tekenen, bands worden al eens gemist wegens dringender zaken af te slapen in de tent, en we weten weer even hoe onze oksels precies ruiken: Dour loopt tegen zijn derde dag aan.

En die begint niet bepaald licht verteerbaar. K-branding gaat er prat op een combinatie van free jazz, noise, electro, no-wave en punk te maken. Begin er maar eens aan bij het ontbijt. Complimenten dus voor het Waalse drietal om toch een stomende set neer te zetten die blijft boeien. Bij momenten klettert het alle kanten op, en daar is de sax als stoorzender niet vreemd aan. Enkele stevige vlagen percussie maken het optreden af.

Een ontdekking, net als een gezapige funky bleekscheet uit Brighton: Ben Westbeech. De man werd door DJ Gilles Peterson uitverkoren als eerste teken van leven op zijn Brownswood-label en vandaag blijkt waarom: ’s mans warme soulfunk op zijn Jamie Lidells verovert het niet zo talrijke publiek simpelweg hoofd per hoofd. We gaan hier niet beweren dat Westbeech een toekomstige headliner is, maar ze mogen ons altijd wakker maken voor een portie halverwege een festivalnamiddag. Làchen daarna met Fantan Mojah + Pèrfect, een podium verder. De man brengt klassieke reggae, doet er wat buikdansmoves bovenop (dienden die vetrollen toch voor iets) en troggelt het publiek wat wiet af. Een triomfantelijke chant “Marihuana!” volgt als dat gelukt is, en wég is hij.

Noch Treponem Pal noch Hare Krishna-band 108 slagen erin een vuist te maken. Terwijl de ene band zijn duffe kruisbestuiving van heavy metal en industrial naar voren brengt in een erg statische — zeg maar saaie — show, ontbreekt het de funky twee akkoorden-hardcore-met-een-boodschap van de andere aan heugeniswaardig songmateriaal. Uiteindelijk blijven we toch hangen bij 108: met z’n flamboyante podiumprésence tilt de voortdurend meelippende gitarist Vic DiCara (ooit nog bandgenoot van Zack de la Rocha bij Inside Out) het optreden tot net boven de middelmaat.

Voor de meestal goedgeluimde Ieren van The Frames is België, sinds de doorbraak met For The Birds, zowat het tweede thuisland geworden. Het kost hen dan ook weinig moeite om een behoorlijke livereputatie uit de grond te stampen, en ook vandaag tonen ze weer waarom: wanneer “God Bless Mom” het aanvankelijk gezapige tempo van de set openbreekt, schreeuwt zanger Glen Hansard zich voor het eerst de keel schor, zonder evenwel z’n down to earth-attitude te verliezen. “People Get Ready” zorgt voor het onvervalste festivalmoment, terwijl de weide op commando gedwee op het achterwerk ploft en de boomlange Dour-regular Airguitarman zijn tijd om te schitteren op het podium gekomen acht. De wisselwerking tussen de band en de zonderlinge sympathiekeling ving de essentie van The Frames: melige feel good die zonder scrupules mikt op de glimlach. En wie zijn wij om daar iets tegen te hebben?

Heel wat minder onbezorgd is de donkere doom van Black Cobra: het Amerikaanse duo jaagt één gitaar door drie versterkers (waaronder één voor bas) en heeft verder enkel een hamerend drumstel nodig om een paar pakken loodzwaar gitaargebeuk met bijhorende rauwe schreeuwen over het publiek uit te gieten. Puur, overdonderend en een beetje sludgy, zo hebben we het graag — al wijzen de bedenkelijke gezichten bij de security erop dat niet iedereen die mening deelt. Jammer voor hen.

Walls Of Jericho zet een standaardset neer die bulkt van de energie. Zangeres Candace Kucsulain vloekt als een ketters foorwijf, maar doet dat enkel om te verhullen dat haar band eigenlijk niks te zeggen heeft. Daar zit het geluid van Walls Of Jericho ongetwijfeld voor iets tussen: dit soort van zich tegen metalcore aanschurkende hardcore hebben we ondertussen al zo’n vier dozijn keer te veel gehoord.

Ze staan slechts met twee op het podium, maar ze spelen zo verschroeiend intens dat de weide aan de Red Frequency Stage niet anders kan dan door de knieën gaan. Two Gallants brengen hun stoffige en rammelende rootsgarage op leven en dood, waarbij vooral kippenvelverwekkende versies van “Prodigal Son” en zeker het hartverscheurende “Nothing To You” bijblijven. Ook “Long Summer Day” en “Las Cruces Jail” uit succesalbum What The Toll Tells krijgen beklijvende uitvoeringen mee.

Griots & Gods, zo heet de wonderlijke samenwerking van The Young Gods en Dälek, oftewel: industrial gaat in de clinch met hiphop. En dat lijkt uitstekend te werken, of toch voor die paar nummers waarvoor Dälek het podium opspringt. Het is aan The Young Gods om de rest van de set te vullen. En dat doen ze met verve. De band slaagt erin een bezwerende set neer te zetten waarbij een postapocalyptisch geluid de boventoon voert. Intens en boeiend blijven zonder te vervelen, het is weinig bands gegeven.

Een flashback van vermoeidheid? Bij het optreden van The Notwist wanen we ons even terug in 2002. Na jaren van stilte keert de band die ooit het indietronicagenre mee vorm gaf terug uit de isolatie, alvorens de studio in te trekken om de opvolger van het vijf jaar oude Neon Golden op te nemen. Dat indietronica al jaren enkel nog gaaplust ontlokt, wordt lustig genegeerd, en iets hardere versies van oude klassiekertjes worden afgeleverd. Bij momenten mooi, maar nu al voelde The Notwist wat aan als een retro-act.

Brujeria voert op de Last Arena een weinig verheffend schouwspel ten tonele: hun brutale industrial punk moet het vooral hebben van het macho-imago dat de in guerillastijl gemaskerde en consequent in het Spaans bazelende bandleden cultiveren. Dat hier (ex-)leden van Dimmu Borgir, Napalm Death en Fear Factory (Dino Cazares) hun handen aan vuil gemaakt hebben, blijkt geen garantie voor kwaliteit: de in distortion verzuipende gitaarpartijen degradeerden alles tot een plat potje aanstellerig kabaal.

Girls In Hawaii heeft al een tijd niet meer op een Belgisch festivalpodium gestaan. De verwachtingen zijn dan ook hooggespannen bij het talrijk opgekomen publiek: de Walen zijn erg benieuwd naar wat ’hun’ groep ervan zal bakken. Heel wat, zo blijkt. Vooral “Found The Ground” en “The Fog” blijken voor onze zuiderburen ware klassiekers, maar ook het vijftal nieuwe nummers krijgt de handjes op elkaar. Nog geen uur staat de band op het podium, maar dat is voldoende om iedereen benieuwd te maken naar de opvolger van debuut From Here To There, die in februari verschijnt. Wat rest is een lange tocht naar de camping, met een glimlach op het gezicht.

Dag vier: Hela-hola-fiedeldie-skafolk-meets-chanson

We zullen eerlijk zijn: het Dourleven is een slopend bestaan, en zo rond één uur ’s nachts kunnen wij gewoon niet meer. Neen, wij geloven niet dat je na een uitputtende festivaldag nog scherp een fikse dansnacht achter de kiezen kunt slaan en dus zult u verslagen over Justice, Venetian Snares en Autechre elders moeten zoeken. Ook op Dag vier was er immers al vroeg goede muziek te ontdekken.

De gothic-light van het Texaanse Black Angels, bijvoorbeeld. Genoemd naar een song van Velvet Underground doet de groep zijn best om het geluid van de jaren tachtig te doen herleven. We horen de ijselijke synthesizers van Joy Division en het holle drumgeluid van The Cure’s Pornography. Erg origineel valt het allemaal niet te noemen, maar het geluid wordt wel met dodelijke precisie afgeleverd.

Niets dan fris ogende jongelingen op het podium bij Balthazar, zo vroeg op de ochtend (naar Dour-normen). Deze vijf West-Vlamingen maakten grote sier op Humo’s Rock Rally met hun publieksprijs, en beginnen over een zekere live-reputatie te beschikken. In ieder geval voldoende voor de organisatie om ze als opener van de Club Circuit Marquee te programmeren. Een optreden lang boeien doen ze echter niet, ondanks een aantal uitstekende nummers. Vooral “This Is A Flirt” maakt indruk en ook “Lorraine” krijgt de handjes op elkaar. Nog enkele van zulke songs en de band komt er wel.

Het Amerikaanse hiphopgezelschap van Gym Class Heroes claimt de crossover tussen indie en hiphop te verkennen. Dat doen ze niet: daarvoor klinkt het allemaal wat te mainstream. Zodra er in hiphop gitaren aan te pas komen, wordt er maar al te snel indie voor geplakt. Niet dus, maar dat deert ook niet. Hoewel de dag op dat moment nog erg jong is, wordt het aanwezige publiek zonder moeite in een aangename vibe ondergedompeld. Reken daar nog enkele prijsbeesten van nummers bij — onthoud “Shoot Down The Stars” — en iedereen zag er even ontzettend gelukkig uit.

Dranouter op Dour: Camping Sauvach’ brengt hela-hola-fiedeldie-skafolk-meets-chanson (ja, wij hebben hier zwaar over moeten discussiëren, maar een kortere omschrijving voldeed niet), maar doet dat met zoveel goesting dat een stomende Eastpak Core Stage er spontaan van op zijn kop gaat staan. Er wordt gehost dat het geen naam heeft onder leiding van de uitzinnige Herr Seele-lookalike Didier Galand, en we zijn in gedachten maar een doedelzak verwijderd van een Boombal. Ambiance!

In de Clubcircuit Marquee mag vandaag het kruim van de Vlaamse rock in al zijn gedaanten aantreden en Mintzkov bewijst dat het daar verdiend staat. Ja, het is maar rock, maar het Lierse vijftal heeft toch maar een stel fijne songs meegebracht naar Dour. De groep raast met veel bravoure door M For Means And L For Love en het recente 360°. Af en toe zorgen de immer voortjakkerende baslijnen van Lies Lorquet ervoor dat de eenvormigheid op de loer ligt, maar wie als hoogtepunt wereldnummer “Ruby Red” kan serveren, mag toch met vertrouwen de toekomst tegemoet kijken: Mintzkov rockt, punt.

De onderkoelde noise van Wolf Eyes mag in de kokend hete namiddag op (onverwacht) veel bijval rekenen. Terwijl de grunts samen met enkele flinke rochels het podium opgespuwd worden en de drones knallen, doet het publiek niet onder: vooral in de eerste rijen wordt het verwoestende kabaal, met bassen die zien en vooral horen doen vergaan, uitzinnig enthousiast ondergaan.

Tomàn, twee jaar geleden nog rond de middag op een even stralende zomerdag geprogrammeerd, presenteert zich vandaag als een herwerkte band: bassist Jens heeft het schip verlaten en met Senne werd een nieuwe toetsenist aangetrokken. Al bij al slaagt de groep er echter niet in de aanwinsten ten volle te laten renderen: vooral zoekend haspelt de band een rommelige eerste helft van de set af. Dat de bewegingsvrijheid op het podium serieus belemmerd wordt door een aantal forse microfoons — daar opgesteld voor de in- en uitleiding van een vierkoppige blazerssectie — zorgde voor de finishing touch in het plaatje van een band die erg onzeker en vooral op zoek leek. Zelfs een bezield “You” kan als afsluiter de meubels niet meer redden.

Een band als Sunn o))) op een in drugs sudderend festival als Dour programmeren, heeft veel weg van een slechte grap, met vreselijke bad trips die om de hoek komen loeren. Desalniettemin zorgde de band zo niet voor de beste, dan wel de meest intrigerende show van deze vierdaagse. Voor de liefhebbers bieden we hiernaast een uitgebreider verslag.

Op het grote podium van The Last Arena lopen de jonkies van 1990s een beetje verloren. Het trio raast aan een rotvaart door de songs van haar debuut Cookies: prettig rammelende punknummers met Kinksinvloeden zoals ook Arctic Monkeys die maar al te graag leveren, al kan frontman Jackie McKeown bij lange na niet tippen aan Alex Turner als het op teksten aankomt. Singles “You’re Supposed To Be My Friend” en “See You At The Lights” gaan er desondanks in als zoete koek bij de niet al te talrijke fans die op een kluitje voor het podium staan samengedromd. Na een kleine veertig minuten zit het optreden er al voortijdig op: alle songs zijn erdoor gejaagd. McKeown neemt nog snel enkele foto’s van het publiek (en doet dat zo schattig dat we er week van worden) en weg zijn ze. Hoe sympathiek ook, we zijn er toch van overtuigd dat dit groepje veel beter tot zijn recht was gekomen op één van de kleinere podia wat vroeger op de dag. Dit grote podium was te snel te veel.

Midlake is zo’n bandje dat het altijd goed doet in de vroege zomeravond als het zonlicht langzamerhand iets minder ongenadig neerslaat op de hoofden, en een zekere mildheid en rust over het festivalterrein neerdaalt. De meerstemmige harmoniepop van de groep roept herinneringen op aan het Californië van Fleetwood Mac en Beach Boys. Live blijken de songs van The Trials Of Van Occupanter dat vorige zomer verscheen behoorlijk gegroeid en “Roscoe” blijft een wereldnummer. Midlake is geen hoogvlieger, maar perfect getimed als vandaag zijn ze altijd goed voor een glimlachend meewiegen.

Vorig jaar opende 65DaysOfStatic Dour zo ongeveer, een eclatant optreden op Pukkelpop later mag de groep headlinen in La Petite Maison. Zaterdag was de groep naar verluidt niet goed bezig op Rock Herk, maar vandaag is daar niets van te merken. Een afgeladen tent gaat vanaf opener “Drove Through Ghosts To Get Here” mee met de band, de groep haalt daar energie uit om nummer na nummer nog meer te overtuigen. Finale “These Things You Can’t Unlearn” overweldigt, drums sneuvelen terwijl frontman Joe Fro publiek het podium laat opkruipen. Minutenlang applaus en geroep volgen: dit was hét optreden van Dour en als de groep de kans krijgt om dit nog eens over te doen op een Pukkelpoppodium, is de grens nog verre van bereikt. Dit optreden was er eentje voor de geschiedenisboekjes.

Wilco is als laatste liveband op de affiche, voor het eindoffensief van de dj-sets, de veredelde headliner op het grote podium van de Last Arena. De heren worden met open armen ontvangen en maken er een triomfantelijke doortocht van, met uitmuntend muzikaal stukje vakmanschap dat in dienst staat van een imposant oeuvre dat een nieuw en meer rockend kleedje aangemeten krijgt. Er wordt geswingd en gelachen, gegriend en verrast: de smaakmakende ingrediënten voor een geslaagd optreden. Platgespeeld is dan ook het enige adjectief dat de weide na afloop past.

Dour 2007 zit er op en was op Bright Eyes en 65DaysOfStatic na geen editie voor de geschiedenisboekjes, of het zou voor de lamentabele organisatie moeten zijn: niemand wist van iets, veel voorbereidingen op de stortbui van vrijdagochtend waren er op de camping niet getroffen, en overal konden opstoppingen worden verwacht. De nieuwe terreinindeling zorgde vooral voor heel wat over en weer gehos, want podia die alternerend op elkaar waren afgestemd, bleken zich plotseling in verschillende uithoeken van het terrein te bevinden, terwijl de urinestroom halverwege ook almaar walgelijker werd. Vorig jaar had het er alle schijn van dat organisator Carlo Di Antonio eindelijk van die vrolijk-chaotische “festival met de Franse slag”-reputatie afwilde, dit jaar werd dat krediet met veel overtuiging verspeeld. Volgend jaar viert het festival haar twintigste verjaardag, maar als ze haar reputatie als derde grote festival van het land wil behouden, dient zich een bezinning op.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

18 − acht =