Hellyeah :: Hellyeah

Therapieplaten zijn altijd wat dubbeltjes op hun kant. En dat die dubbeltjes al eens verkeerd durven vallen, bewijst de ondertussen middels een rockumentary wereldberoemd geworden plaat waarvan we de naam al lang niet meer hoeven te noemen.

En toch gaat het gelegenheidscollectief Hellyeah (amai, met zo’n naam moéten ze wel goed zijn!) met z’n eersteling de confrontatie met de weinig rooskleurige voortekenen aan. Achter het drumstel zit immers Vinnie Paul, wereldberoemd voor z’n titanengedreun in de ritmesectie van wijlen Pantera. Hellyeah is voor de goedzakkigste aller rednecks de verrijzenis na een lange periode van inactiviteit die volgde op de dood van broer en levenslange partner in crime Dimebag Darrell. Een album zou voor minder suf gehypet worden.

Hellyeah een volbloed therapieplaat noemen zou de rest van de band echter oneer aandoen: Chad Gray en Greg Tribbett (reeds bekend van het nu metal-geval Mudvayne) en Nothingface-leden Tom Maxwell en Jerry Montano hadden hun zaakje al voor elkaar vóór ze besloten een telefoontje te plegen met Vinnie Paul. Dat bassist Montano intussen al weer uit de groep gezwierd is — stomdronken je bandmakkers toeroepen dat je hen overhoop gaat knallen is iets dat je beter niet doet, zeker niet in het bijzijn van Paul — draaide mooi uit in het voordeel van ex-Damageplan-lid Bob Zilla.

Gewoon een eindje weg rocken was het vooropgestelde doel, en daarmee worden de hooggespannen verwachtingen die deze halve supergroep te beurt vielen meteen grotendeels overboord gegooid. Verwacht dan ook geen verrassende of nieuwe ideeën: Hellyeah is gewoon een album tjokvol complexloze southern metal. Dat hoeft in principe geen probleem te vormen, maar de neo-cowboys slagen er nergens in echt te boeien: pretentieloos blijkt al te gauw een eufemisme te zijn voor opgewarmde kost en al-eerder-en-beter-gehoord. Daarenboven verliezen de bandleden zich net ietsje te makkelijk in hun rol van zich het pleuris zuipende badass, met als resultaat dat Hellyeah vooral klinkt als het wansmakelijke stoofpotje van een bende hersendode boerenkinkels.

Terwijl zanger Gray een halfbakken gelegenheidsimitatie van Phil Anselmo neerzet en de titelsong (“Drinking beer smoking weed ya getcha’ hellyeah”, Shakespeare had er ongetwijfeld voor gemoord) en “Matter Of Time” nog een onmiskenbare Pantera-toets hebben, wordt er in “Waging War” (“Strength Beyond Strength”, iemand?) gewoon schaamteloos geplunderd bij de southern metal-koningen. En daarmee hebben we meteen ook de beste nummers gehad. “Goddamn” beukt er nog even onderhoudend op los, maar wat dan volgt is inspiratieloos aangemodder dat toewerkt naar slappe semi-ballads als “Star”, “Thank You” en (eerder) de plaatsvervangende schaamte van “Alcohaulin’ Ass”. Het gladde “You Wouldn’t Know” vist dan weer zo hard naar de populaire charts dat we er misselijk van worden.

De band mag in elk geval al met een paar straatlengten voorsprong op andere beginnende groepjes starten: met een sponsordeal (?) met Jägermeister, het ambrozijn van elke zichzelf respecterende metaller, een internationale tour en meteen ook (waarom niet?) een live-dvd in het verschiet, gaat het hen commercieel alvast voor de wind. Ze zullen die voorsprong kunnen gebruiken, want intrinsiek is dit gewoon het flauwste waar ooit een (ex-)lid van Pantera bij betrokken was. Men kan zich dan ook terecht de vraag stellen of dit twijfelachtige geval ooit was opgemerkt zonder de Pantera-connectie. En dus kijken we nog eenmaal achterom alvorens deze band voor een poos de rug toe te keren. Hellyeah? Hellmjah. Whatever.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

13 − 11 =