The Idiot




De laagtepunten in de carrière van een groot regisseur worden
maar al te vaak met de mantel der liefde bedekt – wat we ons willen
herinneren zijn de meesterwerken, niet de misstappen. En toch kun
je uit mislukkingen vaak net zo veel leren. Akira Kurosawa’s ‘The
Idiot’ is waarschijnlijk de meest tragische productie uit zijn
oeuvre, maar net daarom één van de interessantste. In 1950, kort
nadat Kurosawa met ‘Rashomon’ een
internationaal publiek van de sokken blies, besloot de regisseur om
één van zijn droomprojecten te realiseren: een getrouwe verfilming
van de roman ‘De Idioot’ van Dostojevski. Kurosawa was altijd al
een enorme fan geweest van de Russische schrijver, en ook in zijn
andere films duiken vaak thema’s en personages op die sterk aan
Dostojevski doen denken (het meest memorabel is wellicht de
stervende bureaucraat in ‘Ikiru’). Uit respect
voor het boek en ook bij wijze van experiment besloot Kurosawa om
zoveel mogelijk de letter van de roman te volgen. Dialogen en
situaties werden letterlijk overgenomen, en er doet een hardnekkig
gerucht de ronde dat Kurosawa vaak regisseerde zonder script, maar
gewoon met het boek in zijn handen.

Het resultaat van dat alles was natuurlijk een immens lange film
– Kurosawa’s eerste montage duurde maar liefst 265 minuten. Na een
rampzalige testvoorstelling besloot producerende studio Shochiko om
er fiks de schaar in te zetten. Maar liefst 100 minuten aan
materiaal werd in de vuilnisbak geworpen, en de film beleefde zijn
officiële première aan een lengte van 166 minuten. ‘The Idiot’ werd
niet goed onthaald en wordt nu herinnerd ofwel als een verbasterd
werkstuk waarvan we de echte waarde wellicht nooit zullen kunnen
achterhalen, ofwel als een simpele mislukking, een aberratie in het
werk van een groot kunstenaar.

Het verhaal, hoe warrig het soms ook kan zijn, draait rond
Kameda (Masayuki Mori), een veteraan die onterecht aanzien werd als
een oorlogsmisdadiger en pas op het laatste nippertje aan een
executie kon ontsnappen. Hij reist naar Hokkaido, het noordelijkste
eiland van Japan, dat volgens deze film door een permanente
sneeuwlaag bedekt wordt. Daar raakt hij verwikkeld in een bizarre
liefdesaffaire: een plaatselijke rijkeluis wil schijnbaar zo graag
van zijn concubine Taeko (Setsuko Hara) af, dat hij 600.000 yen
aanbiedt aan degene die met haar wil trouwen. Er is geen gebrek aan
kandidaten: de ambitieuze Kayama is vooral uit op het geld, terwijl
de ongelikte beer Takama (Toshiro Mifune) al jaar en dag van Taeko
loopt te dromen. Kameda, de idioot die niet kan liegen en niet eens
het vermogen heeft om onoprecht te zijn, loopt door die complexe
liefdesrelaties heen als een soort van bliksemafleider. Hij is min
of meer de vleesgeworden empathie: hij begrijpt iedereen, voelt
voor iedereen, wil enkel het beste voor iedereen. Hij is de
verpersoonlijkte goedheid, wat niet evident is als het gaat over
onderwerpen als liefde en geld.

Dat was een centrale vraag voor zowel Dostojevski als Kurosawa,
twee verhalenvertellers die hun hele leven lang geobsedeerd waren
door vragen van moraliteit en schuld: kan ware onschuld, ware
goedheid overleven in een corrupte maatschappij? Kameda is een
passief personage dat letterlijk nooit iets verkeerds doet, nooit
egoïstisch is, en bijgevolg meer en meer gaat functioneren als
spiegel waarin de anderen hun eigen gebreken kunnen zien. Zoals
Toshiro Mifune het op een bepaald moment zegt: ‘Ik kan je haten,
totdat ik je weer zie.’

In welke mate die hele thematiek zou zijn uitgewerkt als
Kurosawa zijn volledige montage had kunnen uitbrengen, is
natuurlijk maar de vraag. Het is zeker een feit dat de ingekorte
versie zeker tijdens de eerste helft voor aanzienlijke problemen
zorgt: nevenpersonages werden verwijderd, dialogen werden ingekort
tot wat strikt noodzakelijk was om ze te begrijpen en de
achtergrond van de personages werd volledig verwijderd, wat hun
motivaties dikwijls nogal duister maakt. Aan het begin van de film
krijgen we zelfs een paar keer een bruuske cut, gevolgd door een
tekst die eventjes uitlegt wat de personages daar op dat moment
komen doen. Ook een voice-over wordt ingezet om in zeven haasten
informatie mee te geven die in de volledige versie werd opgevangen
door langere dialogen.

Het gevolg daarvan is dat het ritme van de film zwaar verstoord
wordt. ‘The Idiot’ springt van de hak op de tak, motivering en
psychologische achtergrond gaat verloren in het gedrang, en het is
pas na een half uur dat de film eindelijk een beetje lijkt te
settelen. Niettemin blijven er aanzienlijke plotgaten bestaan, die
vooral duidelijk worden tijdens het tweede deel. Dat tweede segment
van de film werd minder verhakkeld dan het eerste, wat op z’n minst
scènes oplevert die logischer zijn opgebouwd en die hier en daar
zelfs sterke dramatische punten weten te maken. Maar daar zit je
dan weer met secundaire personages die tijdens deel één niet of
nauwelijks werden geïntroduceerd en met informatie die je nodig
hebt om alles te begrijpen, maar die vroeger in de film verloren is
gegaan.

Nochtans merk je wel dat, zelfs al zou ‘The Idiot’ sowieso nooit
Kurosawa’s beste film zijn geworden, er best wel interessante
dingen in de prent zitten. Zo maakt de regisseur van zijn
sneeuwlandschap een soort van abstracte setting, een niemandsland
dat niet helemaal Japan is en niet helemaal Rusland, maar iets daar
tussenin. Critici hadden destijds bezwaar tegen een fundamenteel
Russisch verhaal dat in een eigentijdse Japanse omgeving werd
gesitueerd, maar ‘The Idiot’ is geen strikt realistische film, wat
het hoofdpersonage al meteen aangeeft. Het is een symbolisch,
metaforisch werk over absolute empathie tegenover aangeboren
egoïsme. Kurosawa construeert een surrealistische omgeving waarin
dat verhaal zich kan afspelen, en nu we, meer dan vijftig jaar na
dato, allemaal iets meer gewend zijn geworden aan het opschorten
van de realiteit in films, denk ik dat het ook mogelijk is geworden
om dat in te zien en te waarderen voor wat het is. Vooral omdat dat
niemandsland aan menselijke emoties van ‘The Idiot’ er fantastisch
uitziet: de sneeuw geeft de emotionele isolatie van de personages
aan, terwijl de interieure sets (die er inderdaad opvallend westers
uitzien; geen tatami’s of schuifdeuren te bekennen) sfeervol en
weelderig aangekleed zijn. Kurosawa filmt in sfeerrijk zwart-wit,
waarvan het contrast versterkt wordt door het overheersende wit van
de sneeuw.

En hoewel de film in zijn geheel een narratologische bende is,
zie je wel dat individuele scènes bijzonder krachtig zijn. Let
bijvoorbeeld op de sequens tijdens Taeko’s verjaardagsfeest of
Toshiro Mifune die achter Kameda aan gaat met een mes. Als die
scènes elkaar nu eens wat logischer hadden opgevolgd of dikwijls
wat beter gemotiveerd waren geweest, dan had ‘The Idiot’ echt wel
wat kunnen worden.

Dat de film uiteindelijk faalt, kan dus niet helemaal Kurosawa
verweten worden – het kan best zijn dat een film van vier en een
half uur te lang is, maar zelfs voor dat soort van problemen is de
oplossing zelden het in het wildeweg verwijderen van scènes. De
kans dat de volledige versie ooit nog opduikt is quasi nihil – en
in dat geval kun je ‘The Idiot’ eigenlijk alleen maar bekijken als
een fascinerend wrak, dat hier en daar de glorie suggereert die had
kunnen zijn.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

17 − tien =