Nelson :: Revolving Doors

Laat één ding duidelijk zijn. Nelson gaat het maken en daar geloven
ze zelf nog het meest in. Dat het geloof bij de rest van de
bevolking misschien nog wat achterblijft, moet ondervangen worden
door de bewierokende quotes die terug te vinden zijn in het
hyperbolisch opgestelde promobriefje bij hun eerste album
‘Revolving Doors’: “French revolution is igniting across the
channel earheaded by Paris upstarts Nelson”
, bijvoorbeeld, of
“Stalwarts of the scène from the very beginning, Nelson’s
deconstructed take on Art-Rock has earned them a deal with an
independent label DiamondTraxx”
. Geef toe, dit klinkt wel héél
erg als: “But hey I’m big in Japan!”, niet? Wanneer er zo
veel uitleg nodig is om een plaat eerst te categoriseren en
vervolgens goed te vinden, moeten er toch al wat muzikale
vraagtekens rijzen. Maar genoeg gelachen, nu humor.

Nelson (“JB Devay, Gregory Kowalski, David Nichols and Thomas
Pirot. Four guys with nervous energy and the right look, mixing
bright red adolescent energy with a certain wisdom.”
) opent
zijn eerste album veelbelovend met een cool elektronisch inleidend
geluidje, mooie harmonische gitaren en een lekkere opbouw, maar
wanneer de zang aanvangt, ligt alles plots op z’n gat. Te zwak, te
nietszeggend, zonder enige reden kreunen en jammeren de jongens
over hun zelfgevonden soundscapes tussen de rammende refreinen door
(distortion helemaal open en als we een snaar juist raken zijn we
al tevreden). Deze formule wordt exact herhaald op track 2 en 3 en
het blijft zoeken tot de 4de track op de plaat, ‘The Darkest Parts
of Your True Confessions’ om enige dragende variatie terug te
vinden in de composities.

Van daar af lijken deze energieke jongens echter hun tweede adem te
vinden. De composities worden volwassener, het geluidspalet
uitgebreider. ‘Inside’ ‘People and Thieves’ lijken best te pruimen,
maar de zang blijft een oud zeer, ergens schuchter op de
achtergrond murmelend alsof de zanger ervoor geopteerd heeft de
soundcheck nog wat langer te trekken dan de band en ook nog even
een laatste hand wil leggen aan de teksten.

En dan plots, exact midden in de plaat, alsof het deel uitmaakt van
een concept: ‘Seasons’, gevolgd door enkele nummers die de stem wél
volledig tot hun recht laten komen. De vraag rijst hierbij
automatisch (concept of niet) waarom die in de vorige nummers zo
stiefmoederlijk werd behandeld, want echt niets mis mee hoor
jongens. ‘Seasons’ is op zich dan echter weer zo irritant
gecomponeerd dat de skip-knop al vlug wordt beroerd. Zelfde verhaal
met ‘Acrobatics’. Goede stem, geinige geluidjes, maar een
compositie die wanhopig naar een leidraad zoekt.

‘I [Syc] Stop’ is het enige echte lichtpunt op de plaat omdat hier
alles goed zit: zang, compositie en sound. De song werd prompt tot
single – mét radio edit – gepromoveerd, al noteren we bij de
minpunten dat deze track vol compromissen zit. Lees: lekker
aanleunend tegen de hele Franz
Ferdinand
/Bloc Party
hype.
Over de voorlaatste twee nummers op het schijfje ‘Paid it all’ en
‘Freakshows’ kunnen we kort zijn. Hoewel hier en daar wel een
aantal leuke ideetjes de kop opsteken – luister vooral naar de
aritmische ademhaling (très chouette!) op ‘Paid it all’ –
zijn het niet meer dan plaatvullers tussen de full version
en de radio edit van de single. Filmisch, dat wel, maar
misbaar.

Nelson is wat soms verontschuldigend art-rock wordt genoemd:
compromisloos, maar van het soort dat compromisloos is omdat ze die
keuze hebben overgenomen van hun voorgangers. ‘Revolving Doors’ is
geen plaat die ik zomaar zou opzetten, misschien enkel om te laten
horen hoe het niet moet. Maar wellicht is dit dan weer een te hard
oordeel. Iedere groep die zich in zijn bio wil beroepen op de titel
‘hardest working band in showbizz’ verdient van mij een
plaatsje op het podium. Laat het volk beslissen, maar ik ben even
een pintje gaan drinken.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

17 − 3 =