Azuloscurocasinegro





105 min. / Spanje/ 2006

Hup! Als defensora van de alternatieve
film, heb ik me gezwind en vol enthousiasme gesmeten op deze
‘Azuloscurocasinegro’, een tongstruikelaar van jewelste, die aan de
kassa verbazend genoeg ook ‘zaal 5’ bleek te heten. Enige hoopvolle
verwachting was gerechtvaardigd, want afgaande op de Goya-awards
zou dit donkerblauwbijnazwart halfromantisch drama dé
Spaanse belofte van het jaar zijn en toegegeven, veel andere
Spaanse cine viel er de laatste tijd niet in onze
bioscopen te bespringen. Dus ik sprong. Maar de tijd dat de films
van Almodóvar, Medem en Amenábar elkaar uitgelaten de loef
afstaken, lijkt veraf. ‘Volver’, ‘El Método’, ‘El Labirinto Del
Fauno’
, ‘Salvador’, we moeten
ons tegenwoordig tevreden stellen met degelijk, maar geen briljant
werk uit Spanje. Dat ‘Azuloscuro’ belangrijke prijzen wegkaapte op
de Goya- uitreiking, zegt helaas dus meer over het niveau van de
competitie dan over de film zelf. Degelijk Spaans geweld, maar geen
knock-out.

Geworsteld wordt er anders genoeg in ‘Azuloscurocasinegro’, zij
het dan met levensvragen en diepzinnig gedachtegoed. Dat heb je met
een film over twijfelende twintigers, een alliteratie die
ondertussen even vastgeroest zit als Nicole aan Hugo. De film legt
het koetswerk bloot van een (voor sommigen) erg herkenbare
periode/gemoedstoestand: de vervroegde midlifecrisis van de
twintiger, oftewel de periode na je studies, waarin je plots de
onzekerheid ervaart van een wel heel open liggende toekomst. Alles
is nog mogelijk, maar toch ook weer niet. Meermaals fluistert dat
duiveltje op je schouder existentiële vragen in je oor. Wat blijft
er over van je paper dreams, honey? De 25-jarige Jorge
(Quim Gutiérrez) bevindt zich ook in deze stilstaande fase. Hij
blijft ter plaatse trappelen in een twijfelzone, waar de gedachten
donkerblauw zijn, de kleur net vóór het zwarte gat. Terwijl er voor
hem een bijl ligt te lonken om knopen mee door te hakken, blijft
hij liever binnensmonds wat foeteren.

We kunnen het Jorge niet kwalijk nemen: als conciërge in een
appartementencomplex in Madrid met vuilbakken slepen haalt nu niet
bepaald je ‘meest creatieve ik’ naar boven. Bovendien moet hij voor
zijn vader (Héctor Colomé) zorgen, die na een infarct verlamd is
geraakt en bij vlagen niet meer weet waar hij is, laat staan waar
zijn oren staan. Na zeven jaar afstandsonderwijs heeft Jorge dan
toch eindelijk zijn felbegeerde diploma marketing behaald. Hij legt
meteen al zijn hoop op een beter leven in handen van de
bedrijfsmanagers bij wie hij solliciteert en wanneer zijn eerste
liefje Natalia, na een lange verdwijntruc naar het buitenland, weer
voor zijn neus staat, klampt hij zich ook aan háár vast op zoek
naar een betekenisvollere toekomst. Hij raakt danig gefrustreerd
wanneer het solliciteren maar niet wil lukken en Natalia niet echt
aanstalten maakt om een relatie te beginnen. Tot hij via zijn broer
Antonio (Antonio de la Torre, die de man van Penélope speelde in
‘Volver’)
kennismaakt met Paula. Zijn broer vraagt hem om een ongewone gunst:
hij moet zijn vriendinnetje Paula in de gevangenis zwanger maken
(Antonio is onvruchtbaar), zodat ze kan ontkomen aan de zware
pesterijen van haar medegevangenen. Zijn bezoekjes aan Paula doen
hem met andere ogen naar de wereld kijken en beseffen dat je soms
je geluk zelf in elkaar moet knutselen. De zaken eens door een
ander prisma bekijken, en er zo voor zorgen dat dat donkerblauw er
al veel minder uniformachtig uitziet.

Jorge vormt de kapstok van het verhaal, waar dan vijf
nevenpersonages mee aan zijn opgehangen: zijn vader, zijn broer
Antonio, zijn beste vriend Israel en de twee vrouwen Natalia en
Paula. Vooral de haat-liefdeverhouding die hij met zijn vader
heeft, wordt raak in scène gezet, zonder er doekjes om te winden:
zijn vader is een klein kind geworden, wiens pampers Jorge moet
verversen en die niet meer weet hoe hij normaal met mes en vork
moet eten. Schrijnende toestanden, die zo uit de echte wereld
geplukt konden zijn. Ook de band die langzaam groeit tussen Jorge
en Paula wordt prima in beeld gebracht, je kan bij momenten de
tristesse die rond deze pechvogel hangt echt voelen (let
alleen al op het sfeervolle beeld op de affiche).

Met de tragische delen van de film zit het dus wel oké.
Regisseur Raúl Arévalo houdt zijn debuutfilm in eerste instantie
goed onder controle en neemt veel tijd om zijn personages voor te
stellen, wat met een ensemblecast van zes personen ook nodig is.
‘Azuloscuro’ heeft een vrij sterk basisscenario dat niet geforceerd
aanvoelt, maar het kent vanaf de tweede helft toch wat
tekortkomingen en foutjes, die vooral bij de verhaallijnen rond
Jorge’s broer en beste vriend Israel gesitueerd liggen. Het is
duidelijk dat die mannen in het verhaal zitten om de zware kost wat
lichter verteerbaar te maken. De humor maakt wel iets los, maar
meer dan een occasioneel vraagteken roepen ze ook niet op. Jorge’s
broer Antonio reageert bovendien in bepaalde situaties verdacht
kalm en dat wringt danig met z’n machokarakter. Het levert een
inconsequent beeld op van zijn persoon en zo’n eigenaardigheden
maken je ervan bewust dat de personages ‘uitgevonden’ zijn en dat
je ze dus kan kneden en laten reageren zoals je wilt.

De mijmerende gesprekken op het dak tussen Jorge en zijn beste
vriend Israel, ook wel ‘Sean’ (naar Sean Penn) genoemd, zijn een
leuk uitgangspunt. Misschien was het zelfs een beter plan geweest
om dit personage iets meer centraal te plaatsen en het verhaal op
te hangen aan de belevenissen van twee vrienden op de rand van
volwassenheid, vertrekkende vanuit hun filosofische dialogen rond
hun visbokaal. De acteur die Jorge vertolkt, doet dat niet slecht,
maar hij straalt te weinig charisma uit om de hele tijd te kunnen
boeien (ik had zelfs nog tijd om me bezig te houden met een mug die
het had aangedurfd om mij in mijn been te bijten), hoewel het hele
verhaal rond hem is opgebouwd. Al had de uitwijding over Israel dan
wel een volledig andere wending mogen nemen, want zijn dubbel
uit-de-kastverhaal is weinig waarschijnlijk. Wanneer Israel zijn
vader begint af te persen na hem te hebben betrapt inde handen van
een erotische masseur, begint hij zelf ook aan zijn eigen
geaardheid te twijfelen. Zoiets hoort qua logica thuis bij de
afvalberg met ‘zo vader zo zoon’-clichés.

Arévalo lijkt zichzelf continu te willen tegenwerken: met al
zijn close-ups maakt hij het zich op het vlak van camerawerk iets
te gemakkelijk, maar op het vlak van scenario maakt hij het
zichzelf dan weer te moeilijk door zijn trage, sobere verhaal met
onnodige ballast te verzwaren (de steekpartij en het gedoe rond het
geheime spaarboekje van de vader hadden gerust op de montagetafel
mogen sneuvelen). Arévalo weet een mooi sfeertje te scheppen en
schetst een raak beeld van een onzekere twintiger, maar de film
springt niet genoeg uit de massa en blinkt eigenlijk nergens echt
in uit. Het is zoals de ‘Goya voor meeste beloftevolle filmmaker’
het al zelf zegt: we zijn zéker geprikkeld voor een volgende film
van hem, maar voorlopig is het voor Arévalo nog wat zoeken naar
zijn eigen identiteit en stijl.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

achttien − drie =