Gruff Rhys :: Candylion

Gruff Rhys, bekend als zanger van Super Furry Animals,
heeft met ‘Candylion’ (gelieve uit te spreken in twee woorden) zijn
tweede soloplaat uit. Waar voorganger ‘Yr Atal Genhedlaeth’ nog een
zijproject met grappen en puns in het Welsh kon worden
genoemd, is dit volwaardig werk, ook al valt de release qua timing
krék tussen de opnames van drie nieuwe Super Furry Animals platen,
een wedstrijd van ‘zijn’ Bangor City F.C en het verversen en wassen
van een paar sokken door.

Dat Rhys guts heeft, bewijst hij meteen bij aanvang, met
een vijftig seconden durende intro die ons herinnert aan de vele
uren in culturele centra tijdens notoire showballetvoorstellingen
van langvergeten familieleden. De trauma’s van weleer waren
plotsklaps terug, en het hoesje lag al ergens op de hoop ‘te
verbranden voor Al Gore er wat van merkt’ toen het titelnummer over
een olifantje uit snoepgoed de tocht door het donker onverwachts
verlichtte. Het nummer heeft wat weg van een Dandy Warhols-hitje,
maar dan met een zomerse toon die niet voor het laatst zal
weerklinken.

En zo gaat ‘Candylion’ nog wel even door. ‘The Court of King
Arthur’ doet ons onverwachts niet denken aan donkere winterstormen,
grauwgrijze onweders of lessen en dito examens Nederlandse
Letterkunde. In tegenstelling tot Professor Doctor Joris Reynaert
gaat Rhys hier wél richting Travis op lsd, en hé, weten jullie een
beter alternatief voor een plaatselijke kermiskoers bij een eerste
lentezonnetje in Brugge, of all places?
‘Lonesome Days’ is een minuut traag, schrikt dan op met percussie,
maar versnelt eigenlijk geen moment, en brengt een heerlijke strijd
tussen de instrumenten en Rhys’ stem, die uiteindelijk beslecht
wordt in het voordeel van de luisteraar. Alweer!

Helaas is het beste er dan wel wat af. Cycle of Violence
katapulteert ons terug naar de gruwel van Pasolini’s ‘Salo’, en
wordt nog enigszins overeind gehouden door de Afrikaanse trommels.
Wat volgt is minder, en degradeert ‘Candylion’ tot een plaat die
een kwartier te lang duurt. Die vijftien minuten worden gevuld met
een traag, melig en gewoon oersaai nummer (‘Painting People Blue’),
een naar Sigur
Rós
neigende song in een taal waarin eigenlijk enkel Garcia
Lorca ons kan bekoren (‘Con Carino’) en twee flauwe afkooksels van
het voorgaande waarvan elke betekenis ons ontsnapt. Wie aan ‘Gyrru
Gyrru Gyrru’ en ‘Now That The Feeling Is Gone’ een betekenis kan
toekennen, wint vast een mooie prijs.

Zijn we te verwend? Misschien wel, maar de laatste nummers bewijzen
dat ‘Candylion’ een topplaat was geweest als iemand Rhys gewoon
even had durven zeggen dat een paar dingen net dat ietsje beter
hadden gekund. ‘Ffrwydriad Yn Y Ffurfafe’n is behalve een gesel
voor het verhemelte ook meteen onze favoriet voor het Commonwealth
Songfestival en ‘Skylon!’ duurt meer dan veertien en een halve
minuut, lijkt daarom wat op ‘Desolation Row’ en ‘Joey’ van Dylan, maar houdt ons
zowel ritmisch als tekstueel net zolang op het puntje van onze
stoel. Dat we tussen de bedrijven door ook nog het meer dan aardige
‘Beacon In The Darkness’ optekenen, laat de balans uiteindelijk
toch in het voordeel van de Welshman overhellen.

Is ‘Candylion’ een plaat die je moet hebben? Volmondig nee! Maar ze
maakt het leven er wel een pak vrolijker op. Gruff Rhys heeft geen
plaat vol bedenkingen over de oorlogen in het Midden-Oosten, de
honger in Soedan of de crisis in Brussel-Halle-Vilvoorde gemaakt.
Hij heeft wel iets dromerig lief voortgebracht, en daar kan zelfs
de meest rotte cynicus heel erg weinig problemen mee hebben.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

een + vier =