Arcade Fire :: Neon Bible

En dan gebeurt het onvermijdelijke: de sneeuwbol vliegt Citizen Kane-gewijs aan diggelen en de echte wereld dringt het veilige knusse wereldje van Arcade Fire binnen. Buiten woedt een oorlog, het volk vertrouwt zijn leiders niet, en de druk om een nóg betere plaat dan Funeral te maken doet de geesten verstarren. Neon Bible klinkt meer als een begrafenismis dan zijn voorganger, en is het vermoeide geluid van een aangekondigde ontgoocheling.

Het zijn harde tijden om in te leven, stelde ook Kele Okereke van Bloc Party al vast op hun “moeilijke” tweede plaat A Weekend In The City. Ook Arcade Fire-voorman Win Butler heeft het nu begrepen. "Don’t want to fight in a holy war/I don’t want the salesmen knocking at my door/I don’t want to live in America no more", klinkt het kig in “Windowsill”. Draaide Funeral nog rond familiebanden en “jij en ik in ons eigen kleine wereldje”, dan is daar nu enkel nog een echo van te vinden in “No Cars Go”, een uptempo nummer dat gerecycleerd werd van de naamloze e.p. waarmee de groep debuteerde.

Meer nog dan de thematiek, vat het verschil in productie tussen beide versies de toon van deze Neon Bible het beste samen: klonk “No Cars Go” op de e.p. nog direct, dan klinkt het nummer nu — nochtans in een duidelijk duurdere productie — veel meer van op een afstand. Alles op deze zwarte plaat klinkt veraf, hol en met dramatisch veel galm. Had Funeral een volgeplamuurd groepsgeluid, hier neemt Win Butler het voorplan en worden de orkestrale tierlantijntjes minder druk in beeld gebracht: ze zijn er nog (zoals de strijkers in de dreigend aanzwellende opener “Black Mirror”) maar ze krijgen veel minder licht dan in het verleden. Neon Bible klinkt een stuk soberder dan zijn voorganger.

Enkel in de superieure single “Intervention” is de drive van vroeger merkbaar. Régine Chassagne trekt alle registers open van het protestantse orgel dat de groep her en der op deze plaat gebruikt, en terwijl Butler zingt met een passie die elders niet te vinden is, wordt xylofoon op drumroffel op achtergrondzang gestapeld tot het nummer de allures van een wanhopige hymne krijgt. “Intervention” reikt aldoor naar iets hogers dat net buiten bereik blijft liggen, en is een zeldzaam hoogtepunt op een plaat die al te vaak met onbevangen open ogen in de val van de tweede plaat trapt.

Butler is immers niet de man om goed om te gaan met al het succes dat de groep te beurt viel. Dat was al te merken aan zijn ergernis toen hij drie jaar terug Funeral moest promoten in Europa (een half jaar na de Amerikaanse release), en ook op zijn online blog is het kleinzielige gezeur soms niet van de lucht. En dat sijpelde door naar Neon Bible, waarop al eens geklaagd wordt over de tol van de roem en de sleur van optredens. Wanneer Butler in de overigens puike, gestaag openbloeiende afsluiter “My Body Is A Cage” klaagt “I’m standing on the stage/Of fear and self-doubt/It’s a hollow play/But they’ll clap anyway”, lijkt het alsof de Thom Yorke van Meeting People Is Easy zijn geestelijke broer heeft gevonden.

Op Funeral zouden de accordeon en de plingplong-piano in het jachtige “(Antichrist Televison Blues)” een glansrol hebben gekregen, hier moeten ze het doen met een bescheiden rolletje, weggedrukt in de achtergrond tegenover Butlers naar de voorgrond gemixte zang. Het heeft iets van de bombast van Bruce Springsteen anno Born To Run, maar de dienende rol van de rest van de muzikanten doet Arcade Fire zijn eigenheid wat verliezen.

Arcade Fire is op zijn tweede Win Butler & The Funeral Street Band geworden, en dat kan de bedoeling niet zijn. Het is een verkeerde keuze die hopelijk live rechtgezet wordt zodat we op het podium in de Hallen van Schaarbeek wél opnieuw de drukte krijgen van zeven losgeslagen individuen die elk hun plekje in het licht opzoeken, want dát maakte deze groep zo uniek. Meer nog dan zijn — bij momenten weinig indrukwekkende — songs is Arcade Fire immers een geluid. Dat is de groep bij de opnames van Neon Bible even vergeten.

Neon Bible is niet meer dan ok. Dat is iets, en als dit het debuut van The Silly Boys was, zouden we met extra sterren gooien. Zet hem echter rug aan rug met Funeral en er is geen discussie meer mogelijk: Arcade Fire kan veel beter dan dit, maar is gewoon een volgende naam op de lange lijst van slachtoffers van het Moeilijke Tweede Plaat-syndroom.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

elf − een =