Ten Canoes




Wat waren we op de redactie teleurgesteld toen bleek
dat ‘Ten Canoes’ de prijs voor Beste Film had gewonnen op het
Filmfestival van Gent 2006. Niemand van ons had hem namelijk
gezien. En dat betekende dus ook geen recensie van de winnaar op
enola. Op een vreemde manier hadden we bij overlappende films in de
programmatie van het festival steeds voor de andere film gekozen en
werd dit gekke aboriginesprookje schandelijk over het hoofd gezien.
Een vloek van God de Heer of gewoon van slechte wil? U kiest het
zelf maar. Maar nu is hij dan eindelijk in de Belgische zalen: de
allereerste Aboriginalfilm die volledig in de taal van de Yolngu
gesproken is en waarin zelfs met een pijlsnelle roestige
verrekijker geen enkele Balanda (blanke) te bespeuren valt. Een
wereldprimeur.

We vliegen nog maar net de eerste meanderende rivier over of
meteen springt de drukbezette vertelstijl in het oog: het verhaal
kent maar liefst drie niveaus. Eerst is er de verteller, die zich
onzichtbaar in de bovenhoek van het scherm heeft genesteld en van
daaruit commentaar geeft op het geheel. In een kinderlijk
verwonderde stijl en op een ironisch toontje vertelt hij het
verhaal van tien kano’s en tien pekzwarte Aboriginals op
ganzenjacht in het moeras (de tweede laag). Tien kano’s, 150 speren
en drie vrouwen om volledig te zijn. En dat die vrouwen de
prijsinzet vormen, had u wel kunnen raden. De ongeduldige Dayindi
(Jamie Gulpilil) heeft volgens de traditie nog geen recht op een
vrouw, maar hij heeft een oogje op één van de drie echtgenotes van
zijn broer Minygululu. Om hem duidelijk te maken dat zoiets tegen
de regels van het kaartspel is (liefde is toch een kaartspel?),
vertelt Minygululu hem een parabel. En zo komen we bij de derde
laag van de film: de oeroude geschiedenis die zich afspeelt in de
tijd toen de Yolngu nog rustig het continent voor zich alleen
hadden. Een verhaal dat enkele dagen in beslag neemt om te
vertellen (al is het maar omdat de verteller graag eens onderbreekt
om over de gebruiken van zijn volk en de ganzenjacht uit te
wijden). En het verhaal gaat geheel per toeval ook over een broer
(ook Jamie Gulpili), die stikjaloers is op de jongste bruid van
zijn big brother.

Tijdens de opnames van ‘The Tracker’ in 2002 raakten de
regisseur Rolf de Heer (een Australiër van Nederlandse afkomst, die
o.a. ‘Alexandra’s Project’ maakte) en de protagonist David Gulpilil
(die nu de verteller speelt en tevens de vader is van de
hoofdrolspeler) bevriend en groeide het verlangen om een film
alleen mét en óver aborigines te draaien. Een ode aan zijn
voorvaderen en aan hun leefwereld van vroeger. Het concrete idee
werd gehaald uit een beroemde zwartwitfoto uit de jaren ’30 van de
antropoloog Donald Thomson, waarop een groep kanovaarders te zien
is op een moeras. De foto maakt deel uit van een hele reeks die de
fotograaf wijdde aan de aboriginals, in de tijd toen de Balanda’s
het leven van de Yolngu nog niet volledig overhoop gegooid hadden.
Om in het verhaal het onderscheid helder te houden tussen de twee
verledens, wordt de ganzenjacht – gesitueerd in de Thomsonperiode –
in het zwart-wit afgebeeld en het mythische verhaal van de
voorvaderen in kleur.

Kids, haal jullie cursusblok maar boven, want willen of niet: de
film heeft toch een aanzienlijk documentairegehalte. Onder de
dekmantel van een speels excuus (een mager verhaaltje) leert de
film ons een lesje over de gebruiken van de eerste bewoners van
Australië: hun rotsvast geloof in magie, hoe ze kano’s bouwen van
boomschors, hoe ze hun doden eren met een dodendans, hoe ze zich
kleurrijk opmaken voor ze aan een oorlogsritueel beginnen en hun
gerechtelijk stelsel: de makaratta. Een geschiedenislesje, want
natuurlijk leven vandaag maar weinig Aboriginals nog zo primitief:
ze hebben ook kabeltelevisie, jagen tegenwoordig liever met hun 4×4
en met een stel geweren in de koffer dan met traditionele speren of
ze halen hun kangoeroepaté gewoon bij de supermarkt. En ze lopen
waarschijnlijk ook niet meer constant in hun blote flieter
te paraderen.

‘Ten Canoes’ is geen ‘Gods Must Be Crazy’ met Aboriginals. Het
leuke is dat er geen confrontatie is met de blanken; het verhaal
blijft netjes binnen de Aboringinalgrenzen. Het verhaal is daardoor
helemaal hun eigen verhaal, dat het niet moet hebben van
‘gemakkelijke’ cultuurclash-humor. De vroeg-aussies reiken zélf de
nodige humor en zelfrelativering aan. Maar het heeft ook een
keerzijde, want het betekent dat je ook hun eigenwijze manier van
vertellen erbij moet nemen. Het luie, gezapige tempo, de
onderbrekingen en het drievoudige standpunt halen volledig de vaart
uit de film. De langdradige parabel blijft maar groeien als
vertakkingen aan een boom (zoals de verteller het zelf omschrijft),
die op het einde de omvang van een heel bos heeft, zonder dat er
daarmee eigenlijk veel verteld is. Het dun uitgesponnen verhaal
maakt dat de aandacht verslapt – de meerwaarde van de complexe
vertelstijl gaat daarmee grotendeels verloren, zodat het
uiteindelijk allemaal niet zo heel ver boven national
geographic
uitkomt. Het natuurdecor is natuurlijk heel
dankbaar als setting en daar wordt wel genoeg gebruik van gemaakt –
de beeldvoering is aantrekkelijk en de vele close-ups tonen de
innemende personages tot in hun kleinste groeven.

Écht slechte punten kan ik niet aanhalen, daarvoor is het een té
goedbedoeld en uniek project. Vooral voor de bevolking zelf zal dit
een heel waardevol document zijn: hun eerste film, die bovendien
ook een zeer authentiek beeld schept van het leven van de
oorspronkelijke aborigines. Deze kanovaart is een must voor
iedereen die zich een cultuurcurieuzeneus durft te noemen,
maar niet echt verplichte kost voor de gemiddelde filmliefhebber.
Daarvoor is het met deze eerste film nog iets te vroeg om te
juichen.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

2 × 1 =