The Good, The Bad & The Queen :: The Good The Bad & The Queen

Ooit was Damon Albarn vooral frontman van de uitstekende britpop-band Blur. Intussen is hij het brein achter Gorillaz en een muzikale globetrotter. Tijdens een trip naar Nigeria ontstond een vriendschap met de legendarische drummer Tony Allen en daaruit vloeide dan weer The Good, The Bad & The Queen voort.

Blur was (en is hopelijk nog steeds) de enige groep die de Britpop eervol leek te overleven en te overstijgen, door de oren flink open te houden en zichzelf ten gepaste tijde heruit te vinden. Van de baggy rock op debuut Leisure over de Kinks-geïnpireerde tranches de vie uit hun Britpop-tijd, tot het avontuurlijke en donkere werk op 13 en Think Tank: altijd leek Blur de tijdsgeest bij de kladden te hebben, zonder domweg mee te lopen.

Maar Blur staat dus op non-actief en Albarn blijft maar fantastische albums op de mensheid loslaten. Het begint er zo langzamerhand op te lijken dat Blur een van de Albarn-projectjes is, in plaats van zijn ’echte’ groep. Na Mali-Music en de onvolprezen Gorillaz-albums is er nu ook The Good, The Bad & The Queen.

De groep ontstond na jamsessies met de Afrikaanse drummer Tony Allen. De eerste opnames bleken niet helemaal bruikbaar, maar met de hulp van Clash-bassist Paul Simonson (toevallig ook Albarns buurman) groeide het uit tot het vrij geweldige The Good, The Bad & The Queen. Op gitaar hoort u voorts Simon Tong die ook The Verve en Gorillaz op zijn CV heeft. Achter de knoppen: hiphopgenie Danger Mouse.

Het straftse aan The Good, The Bad & The Queen is dat het album exact klinkt zoals je op basis van de bezetting zou verwachten. De vier muzikanten doen wat ze het best kunnen, Danger Mouse giet er zijn gesjeesde productie overheen en het resultaat is een zeer uniek geluid, waar je met plezier in verdwaalt.

Het is een mix van London Calling, 13, Demon Days en St. Elsewhere: donker, inventief, dubby en vol kleine prikjes en verrassingen voor de hoofdtelefoon. Vrolijk is het allemaal niet. In vergelijking met de uitzinnige tekeningen op de Gorillaz-albums, staan de heren hier wel erg zwart-wit en serieus te kijken in het cd-boekje.

Albarn zingt op zijn vreemdst, zoals hij eerder al deed op Blur-songs als "No Distance Left To Run", "Sing" en "Death Of A Party". The Good, The Bad & The Queen had dan ook een doodsaaie bedoening kunnen worden, vol klaagzangen en onheilspellend gitaargepingel met aanzwellende strijkers, agressieve noise-uitbarstingen en andere indie-clichés. Albarn en co zijn de eerste aanvallen van existentiële Weltschmerz dan ook al even ontgroeid en slagen er wonderwel in om ook melodie, groove, humor en slimme popaccenten in hun sombere wereldbeeld te stoppen.

Het album biedt veertig minuten verslavende dub, maar door ervaren muzikanten die het genre langs een andere kant durven bekijken. Zo horen we flarden wereldmuziek in "History Song", dronkenmansgewals in "’80s Life", Gorillaz-hop in "Northern Whale", breakbeats (maar dan niet uit een computer) in "Three Changes" en ontspoort de titelsong in de laatste vijf minuten uitgebreid op zijn Velvet Undergrounds. Variatie en inventiviteit genoeg om dit niet als zomaar weer een zijprojectje van een verveelde rijke artiest te beschouwen, maar wel als een verdomd sterk debuut van een groep straffe muzikanten.

The Good, The Bad & The Queen zou een conceptplaat zijn. Eentje rond de toestand waarin Engeland zich tegenwoordig bevindt: in oorlog en met de post-Tatcheriaanse Labour-droom die als een overrijpe puist in hun gezicht is open gespat. Geen vrolijke gedachte voor iemand die Cool Brittannia in ’95 nog heeft meegemaakt, maar als het dit soort muziek oplevert, hoor je ons aan deze kant van het Kanaal absoluut niet klagen.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

veertien − vier =