Johnny Berlin :: I Am Johnny Berlin

Putten bands als Bloc Party en Interpol uit de jaren tachtig? Johnny Berlin gaat nog een stap verder en ademt dat decenium. Als je naar I Am Johnny Berlin luistert, sta je met beide voeten in 2006, maar alles krijgt een kille eighties-tint, wat zeker geen slecht resultaat is voor een debuut-e.p.

Who the fuck is Johnny Berlin? De naam dook recentelijk constant en zowat overal op, maar om een of andere reden leek de muziek onbereikbaar en werd het mysterie rond deze intrigerende naam groter en groter. Uit de naam zelf viel niets af te leiden: het had net zo goed over een death-metalband kunnen gaan als over een nieuwe elektroclash-sensatie. Het einde van alle raadsels is nu echter in zicht.

Wie schetst onze verbazing als we bij het horen van de openingstrack, "Johnny Berlin Arriving", de vroege The Cure horen ontsnappen als een geest uit een fles? The Cure lijkt slechts een beginpunt want met behulp van ijle synthesizers en een occasionele metalriff, schetst Johnny Berlin een wavekader zoals we het in geen jaren gehoord hebben. Rillingen lopen over onze rug wanneer we een hand over een gitaararm hóren schuiven. Die ene beweging is net als een oude grasmachine die in gang getrokken wordt: een rustig object wordt in één beweging een brok amper in te tomen energie. Zo transformeert "Johnny Berlin Arriving" na die ene armbeweging van een sfeerschets naar een mokerslag.

"Upper Middle Class" is vervolgens dé brok energie die Johnny Berlin als een clusterbom in je gezicht laat exploderen. Met Rolf Beckers heeft de band een drummer in huis die weet hoe je een retestrak ritme neerzet dat tegelijk als een ode aan Joy Division klinkt en dat aansluit bij de postrockwervelstormen van pakweg Mogwai.

Johnny Berlin omschrijft zichzelf als een clash tussen postrock en popmuziek. In "Echoes" slaagt de band daar het beste in. Dit overweldigende nummer moet het hebben van de betere spanningsopbouw en doet met zijn uitzwermende gitaarpartijen denken aan het beste van Calla en Film School. De zang van Stijn Gielen doet ons finaal onderuit gaan voor de band en als hij ’don’t go’ smeekt, geloof je de wanhoop in zijn stem.

De popkant waar de band naar op zoek is, komt eerder naar boven in de songschrijverij dan in de vorm waarin ze gebracht wordt. Pop zoals The Magic Numbers maakt Johnny Berlin niet, al zijn de songs niet minder knap of, bij momenten, melodieus. "We Want Money" bijvoorbeeld dat, na een knappe synthesizerintro, overgaat in een meeslepende baslijn zoals we ze tevoren alleen nog maar bij Dead Souls op het podium hoorden. In afsluiter "No Such Things" bepaalt een Daan-achtige melodie dan weer de teneur van de song terwijl een Kraftwerk-echo voor de finishing touch zorgt.

Door op één e.p. zoveel kanten op te zoeken en toch met een herkenbaar geluid op de proppen te komen, bewijst Johnny Berlin dat het een groep is die heel wat in zijn mars heeft. Na zo’n indrukwekkend mini-album kunnen we van een eerste langspeler niet anders verwachten dan dat het een klassieker zal zijn. Wie zich trouwens nog afvraagt waar de groepsnaam vandaan komt: Johnny Berlin — ’s mans portret staat op de hoes — was een soort superpooier in de eerste helft van de twintigste eeuw.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

4 × 3 =