Robbie Williams :: Rudebox

Robbie Williams — altijd zoekend naar het evenwicht tussen voorspelbaarheid en zijn rebelse karakter — is op Rudebox een heel andere richting ingeslagen. Niet noodzakelijk een slechte, maar een mens vraagt zich wel af wie hij met dit album wil plezieren. Buiten zichzelf dan.

Vooruitgeschoven single "Rudebox" is foute eighties zoals de karikatuur het nu wil, maar zoals het vroeger nooit is geweest: een slecht vervormde zware stem en hijgende vrouwenstemmen over een funky beatje. Dat alles gelardeerd met metalige bliepjes uit het soort Casio waarmee wij in onze jeugdjaren onze onderwijzers op hun zenuwen werkten. Heel erg cheesy, maar als de eerste verbijstering over zoveel kitsch weggedeemsterd is, toch ook wel behoorlijk catchy en allesbehalve slecht. Maar door de band genomen is Rudebox — het album — een onsamenhangend boeltje van leuke, half uitgewerkte ideeën en passabele nummers.

We horen odes aan muziek uit Robbie Williams’ jeugd en hier en daar een genre-oefening. Zo is "Lovelight" het soort gladde, sleazy ballad-met-falsetstem waar George Michael zijn carrière op gebouwd heeft. Ook de liefde van Williams voor The Pet Shop Boys is niet nieuw. Op I’ve Been Expecting You zong Neil Tennant al mee op het machtige "No Regrets". Nu doet hij hetzelfde op "She’s Madonna" en "We Are The Pet Shop Boys". "She’s Madonna" is een fijne mix tussen The Pet Shop Boys en Take That en een geheide hit; "We Are The Pet Shop Boys" hoogstens een gimmick.

Van Manu Chao’s Bongo Bong/Je ne t’aime plus maakt Williams een soort stonede mambo-electro die we stiekem nog wel leuk vinden. Als we er tenminste even mee kunnen leven dat het origineel eigenlijk brutaal gegangbangd wordt door een synthesizer, een lad uit Stoke-On-Trent en een stel koperblazers. Als er dan toch aan het nagenoeg perfecte origineel geraakt moet worden, dan liefst op deze extreme manier.

Verder staat er veel bagger op Rudebox. Op "Keep On" mag Lily Allen meezingen, maar Williams’ poging tot geloofwaardig rappen over een stevige garagebeat gaat finaal de mist in op het moment dat de strijkers komen aangewaaid in het refrein. Er volgen nog zoutloze ragga ("Good Doctor") en belachelijke pogingen tot electro (de puberale ghost track).

Onder die berg rommel zitten echter nog twee absolute pareltjes begraven — weggestopt aan het einde van het album. "The 80’s" en "The 90’s" zijn de sleutelnummers van het album. Williams vertelt erin over opgroeien in een stadje zonder toekomst, de belofte van Take That en hoe hij die groep inruilde voor zuipen met Liam Gallagher op Glastonbury. De man blijkt opeens te kunnen rappen en weet een verhaal in zijn tekst te steken zoals ook Mike Skinner dat kan. We dachten zelfs even dat Skinner muzikaal een vinger in de pap had bij deze nummers. De refreintjes breken de flow ervan misschien nog wat. En het is spijtig dat er onder druk van de platenfirma in de tekst van "The 90’s" geknipt werd (de manager van Take That was niet opgezet met alle stront die in dit nummer in zijn richting werd geslingerd), maar "The 80’s" en "The 90’s" zijn broodnodige hoogtepunten op een verder richtingloos album.

Het is duidelijk dat Robbie Williams zijn rol als gefabriceerde entertainer beu is, maar op dit album probeert hij wel erg ongecontroleerd allerlei andere dingen uit. De vraag is echter of er iemand op het resultaat zit te wachten. Fans zullen niet snappen waar hun idool mee bezig is. En de serieuze muziekliefhebber zal zich op basis van al die halfslachtige ideeën afvragen waarom hij Williams ooit enig krediet gegeven heeft. In dat geval raden we hem aan Sing When You’re Winning nog eens te beluisteren. Mocht Robbie Williams niet all the way gaan van de platenfirma of kan hij het gewoon niet? Dat hij daar met zijn volgende album maar eens op antwoordt, voor alle krediet op is.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

acht − 5 =