Pukkelpop 2006 :: De efficiëntie van bakvissenlogica

Alweer een klap voor het KMI: Pukkelpop 2006 zou kletsnat worden, was voorspeld. Maar dat viel op één enkele nationale drash aan het eind gelukkig erg mee. Waar het dan wel tegenzat: een resem laattijdige afzeggingen (die hadden we écht niet zien aankomen, Pete!) en een niveau dat na een ijzersterke openingsdag nooit meer werd gehaald. Een uitgebreid goddeauteam haalde niettemin de finish en kwam terug met de volgende herinneringen.

Dag Eén: Uptempo suikergoed

Een beetje hedendaags festival schaamt zich er niet langer voor om met een supermarkt vergeleken te worden en dat is goed zo. We zijn immers hippe ADHD-kids: een beetje drukte en chaos houdt ons op gang, verdorie. Pukkelpop was op dag één alvast meer Delhaize dan Aldi met bijna uitsluitend kwaliteitsgerief in topvorm.

En allezhuppaa: het begint alweer goed met de afzegging van Regina Spektor. Club-opener Tunng mag meteen een uur later aan zijn dag beginnen. Geen erg, zo blijkt, want de tent is meer dan volgelopen voor de folktronica van de groep. Die bedankt met een sterke set waarin vooral het nieuwe materiaal uit Comments Of The Inner Chorus prominent aanwezig is. We krijgen geen “Tale From Black”, maar een bezwerend en erg folky “Jenny Again” zet de kroon meesterlijk op het werk. Puik!

Guillemots staat in de Marquee al vroeg op de dag Erg Grote Belofte te wezen. De Britse pers loopt over van enthousiasme en het is een kwestie van tijd voor u en wij dat ook zullen doen. In de studio klinkt de groep dromerig en lieflijk, live — aangevuld met blazers — zijn ze groots en haast even energiek als de Arcade Fires van deze wereld. Het relatief onbekende songmateriaal staat vandaag een hysterisch publiek nog in de weg, maar we zagen Coldplay jaren geleden even anoniem in de namiddag in de Club spelen. Van Guillemots verwachten we nog grootsere dingen.

Bij Gomez staan we zoals voorspeld tevergeefs te wachten op het mentaal aangekruiste “Here Comes The Breeze”. Op het zompige festivalterrein wordt echter maar lauwtjes gereageerd op de uitstekende moerasrock van het Britse vijftal. “Get Miles” opent wat gezapig en ook met “See The World” en “Hamoa Beach” verdwijnt het verlangen naar picknicken op een geruit laken niet zomaar uit het hoofd. Met “How We Operate” wordt het gaspedaal wat dieper ingeduwd, een deken van loomheid heeft zich ondertussen echter al over de weide gedrapeerd.

Jammer voor Infadels: de groep is in de wolken met hun plaats op het hoofdpodium, terwijl ze vorig jaar nog de Club moesten openen. Een kleiner podium hoeft echter niet per se een blamage te zijn: zet deze groep in de Dance Hall of de Marquee — of ergens anders waar het zweet van de muren kan lopen — en de songs komen veel beter tot hun recht. De lads braken enkele hoogtespringrecords tijdens “Love Like Semtex” of “Jagger ’67”, maar zelfs dan deinde de sfeer niet verder uit dan de voorste rijen.

José Gonzalez kon in de late namiddag op verdacht veel volk rekenen in de Marquee. Enthousiast werd de sombere Zweed met Argentijnse roots er nochtans niet van, want nog levenlozer in de micro neuzelen dan hij nu deed, valt moeilijk voor te stellen. Niet dat het slecht klonk, of helemaal gevoelloos was, maar op een leuke Kylie Minogue-cover na was er geen noot te bespeuren die van ’s mans indrukwekkende debuutalbum Veneer afweek. Een schandalige verspilling van talent, want Gonzalez kan duivels goed gitaar spelen. Waarom dat zich niet vertaalt in een gevarieerder en ook maar enigszins boeiend optreden, blijft ons in ieder geval een groot raadsel.

Bij het horen van de naam Rise And Fall voelen we sinds kort een sidder van opwinding door ons lijf gieren. Hun loeiharde en opwindende tweede album, Into Oblivion, is een furieuze schop in de edele delen die ons weer in het reine bracht met de optelsom “België + hardcore” (al noemen ze het zelf punkmetal). Het was dan ook een opluchting vast te stellen dat de band live niet tekortschiet. In een half uurtje joeg het kwartet er genoeg tot headbangen uitnodigende riffs en bulldozergebeuk door om twee dagen met een stijve nek opgescheept te zitten. Een vurig en overtuigend no nonsense optreden van een band die bij momenten klinkt als een Vlaamse Entombed op de hielen gezeten door hellehonden.

In de vooravond is de Club ondertussen alweer aardig volgelopen voor The Veils, die al het goeds dat over hen geschreven wordt bevestigen met een klantenwervend concert. Schuchtere frontman en songsmid Finn lijkt zich oprecht te verbazen over de enthousiaste ontvangst en antwoordt dan ook gedreven met uitstekende versies van nieuwe (koop dat Nux Vomica!) en oude songs. De ziel van The Triffids waart even door de club en wij kennen een pak slechtere geesten dan die van wijlen David McComb. Andrews krijgt het publiek op zijn hand, laat het een rondje klappen en krijgt het vervolgens amper getemd. Een voorspelde ontdekking voor leken, een klinkende overwinning voor The Veils.

Eerlijk: de overdosis Brits gejengel op Pukkelpop dit jaar voerde ons ei zo na tot de rand van een depressie, maar als er één band is die daar het ideale tegengif voor levert, dan is het wel The Magic Numbers, het frisse kwartet dat een mens nog eens eraan herinnert dat de mollige medemens een gezelligerd is. Grote stukken van het debuut passeerden, net als vorig jaar, de revue, maar gaan klagen met dergelijke arrangementen, melodieën en, vooral, stemmen? No way!. Hoogtepunten: het intussen tot klassieke status gepromoveerde “Forever Lost” en ander uptempo suikergoed als “Long Legs” en “Love Me Like You”. Conform hun “mag het iets meer zijn?”-stijl hebben ze nog steeds de neiging om hun songs wat te veel te rekken (wat ook geldt voor de eindeloze jam aan het einde van de set), maar hun goedlachse en onweerstaanbare charme zorgde ervoor dat ze bij de uitschieters van Dag Eén hoorden.

Delays moeten het in de Club stellen met een maar matige opkomst voor hun nochtans heerlijke songs. Na een ietwat zwak begin, snijdt de groep met “You And Me” een hoofdstuk Perfecte Popsongs aan dat zijn weerga vandaag niet echt kent. Nieuwe single “Hideaway” doet het nog met een beat die zo van Adam Ant gepikt is — zo geeft frontman Greg Gilbert ook grif toe — met een scheurend “This Town’s Religion” en de supersingle “Valentine” krijgt de groep het publiek dan toch op zijn hand. Jammer, maar voor Delays lijkt het ondanks de superplaat You See Colours ook nu weer niet te gaan gebeuren.

Zware bassen, etherische synthesizerriedeltjes en surrealistische teksten: dat moet The Knife zijn. De mystieke passage van broer en zus Dreijer op Pukkelpop is net als de landing van Daft Punk een vrij exclusieve bedoening want Olof en Karen treden slechts met mondjesmaat live op. In de Dance Hall figureert het duo, met zwarte maskers en verstopt in een sprookjesachtig decor, in een duister muzikaal toneel. De meeste nummers van hun laatste album Silent Shout, doen dienst als soundtrack. U geniet met open mond en ogen van het audiovisuele spektakel dat, als we Radiohead even buiten categorie beschouwen, misschien het beste, maar zeker het origineelste optreden van Pukkelpop donderdag is.

We Are Scientists is een van de vele gitaargroepjes die de festivalaffiches de voorbije jaren opvullen. With Love And Squalor is een fijn album, “Nobody Move, Nobody Get Hurt” een fijne radiohit. Live blijkt We Are Scientists meer dan boven de middenmoot uit te steken en weten ze zelfs te boeien. Als er niet al driehonderd andere groepjes als We Are Scientists zouden klinken, zouden we ook echt enthousiast zijn; nu onthouden we een strakke, energieke set met bijbehorende, duchtig over het publiek stuiterende strandballen. Erg leuk, maar — de concurrentie is hard, mijnheer — net niet memorabel.

Snow Patrol was in volle terrorismedreiging de bagage kwijtgeraakt op Heathrow. In plaats van af te bellen, spelen zanger Gary Lightbody en gitarist Nathan Connolly met hun tweetjes op het grote lege podium een korte akoestische set. “Chocolate”, “You’re All I Have” en vooral het machtige “Run” blijken ook zonder de gangbare bombast sterke songs, maar we zien ze liever nog eens back in full force. Dat Lightbody ons ook nog even bedankt voor de fantastische muziek uit België (en daarbij de Evil Superstars niet vergeet), maakt hen er alleen maar sympathieker op. Respect!

Kapen vervolgens de Club met een onwereldse show: Mew. De vijf Denen klinken een klein uur lang als Sigur Rós die samen met Radiohead jammen terwijl ze de soundtrack voor de Diva-scène uit The Fifth Element verzinnen. Heel even leek er buiten geen festival gaande, maar bevond er zich de zwarte uitgestrektheid van het universum. Onbeschrijfelijk mooi.

Al van bij het begin probeert My Morning Jacket de Marquee met welgemikte mokerslagen naar de keel te grijpen. Het zal ze de bijna volle vijftig minuten lukken. Niet al te vaak zien we een zanger er zo over gaan tijdens de openingssong als Jim James. Om uiteindelijk toch aan de juiste kant van de meter te blijven. De Amerikaan krijst zo hard en deugdelijk schril, kronkelt zo vervaarlijk over dat podium tijdens “Wordless Chorus” dat energieproducenten zijn naam op een bierviltje noteerden. Alsof iemand hem backstage ongezien wat opgedreven Duracell-batterijen had ingebracht. Dit was briesen met allure, alles in de strijd gooien, er een machtig luide lap op geven. Even, tijdens het verstilde “Hell”, kan het naar adem happen wat gematigder, maar dan mag de opgefokte stier weer de arena in voor de laatste nummers. Groots.

Enkele onverlaten zagen Beck daarna enkel als het nobele voorprogramma van Radiohead, maar dat was buiten de waard gerekend. Het uur dat Beck van Chokri kreeg om zijn ding te doen was meer dan genoeg om het publiek op handen te krijgen. De man deed een beroep op een poppenkasttheater dat in real time de muzikanten op het podium nadeed. Meezingers afgewisseld met nieuw materiaal dat deze herfst om uw cd-speler smeekt (The Information verschijnt in oktober) werden op de Hasseltse wei smakelijk te grazen gezet.

Mastodons passage op Pukkelpop stond al op voorhand geboekstaafd als het legendarische Kiewitoffensief, maar one pissed off sound guy moet er anders over beslist hebben. Ze hebben de meest begaafde drummer en meest complexe songs van zowat alle bands op het festival, maar om die tot hun recht te laten komen, moet je het natuurlijk wel kunnen horen: het geluid klonk modderig en veel te stil, en dat is niet zoals je deze groep moet ervaren. De set bleef nochtans overeind met sterke uitvoeringen van onder andere “March Of The Fire Ants”, “I Am Ahab”, “Megalodon”, “Blood And Thunder”: ze horen thuis onder de “C” van classic en slagen erin metal weer relevant te maken voor volk dat er al lang op uitgekeken is. Ook gehoord: een handvol songs uit het nieuwe album Blood Mountain (de verplichte aankoop van september) die ons aan het duizelen brachten. Tips voor de toekomst: “Crystal Skull” en “The Wolf Is Loose”.

Beteren doet het daarna niet in de Marquee: Turbonegro is immers zo ver het pad van de zelfparodie en boertige ongein ingeslagen dat enkel de befaamde Turbojugend-liga en andere minderbegaafden er nog mee kunnen lachen. Of ook: hoe een stel Noorse carnavalprinsen tussen Kiss, Alice Cooper en Lordi terecht kan komen op basis van een handvol catchy en brallerige songs als “Sell Your Body (To The Night)” en “All My Friends Are Dead”. Pete Doherty kreeg, als watje dat niet eens genoeg ruggengraat heeft voor drugs én een feestje op een Pukkelpop-podium, een veeg uit de pan, maar het zou een pak overtuigender geweest zijn om het te horen van een band die een goed concert speelde. Turbonegro en “goed”, het is als The Magic Numbers zien opdraven in een spotje voor Vitalinea.

Op papier is Clubheadliner Nouvelle Vague een leuke gimmick. Op cd is het zelfs best leuk, als cocktailmuziek voor fashion victims echter passé en live helemaal strontvervelend. Het geluid in de Club staat bovendien zo zacht, dat zelfs het vooruitzicht op Radiohead ons nauwelijks van indommelen weerhoudt. We voelen spontaan meningen over vloerbekleding en bijpassend servies opborrelen en net voor we de neiging om binnenhuisarchitectuur te studeren voelen opwellen, besluiten we toch maar ver van de Club een Café au Latte te gaan drinken alvorens Radiohead de wrange smaak mag wegblazen van deze Franse muziek die bij winkels vol designmeubels past.

Waarna het dan eindelijk te hoop lopen is voor die absolute headliner. Radiohead heeft geen nieuwe plaat uit maar komt toch even langs om een straf concert te geven. Wat we krijgen: een bijna twee uur durende dwarsdoorsnede uit het werk van de groep met een sterke klemtoon op de latere platen. En toch: met zes nummers uit OK Computer lijkt de groep eindelijk over zijn afkeer voor dat hitalbum heen. Radioheads passage had verdacht veel weg van een triomftocht. Zonder voor verrassingen te zorgen, bevestigde hij zijn uitzonderlijke status. Morgen meer van dat?

1
2
3

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

twaalf + zestien =