Thumbsucker




Wat zouden we toch zijn zonder die onafhankelijke Amerikaanse
cinema? Van die kleine producties die tegen de stroom van torenhoge
mainstream-clichés inzwemmen en een eigenzinnige kijk bieden op het
leven. Een onderwerp dat nogal vaak terugkeert, is de
disfunctionaliteit van mensen en hun relaties. Denk maar aan het
kleurrijke oeuvre van Wes Anderson, het rebelse ‘Igby Goes Down’, het compleet geschifte
‘I Heart Huckabees’ en die andere
mindfuck ‘Donnie Darko’.
Films die totaal verschillend zijn in toon, maar die toch één
belangrijk ding gemeen hebben: ze handelen allemaal over ‘zoekende’
personages waar een (vaak serieuze) hoek af is. ‘Thumbsucker’ sluit
perfect aan bij deze cinefiele misfits. Debutant Mike Mills
mag dan nog niet de unieke visie van Anderson of de ballen van
David O. Russel hebben, z’n eerste worp is een charmant en oprecht
coming of age-filmpje waar ik anderhalf uur met dromerige
oogjes van heb genoten.

Justin (nieuwkomer Lou Pucci) is een typische tiener die zich met
veel moeite doorheen de adolescentie sleurt. Het enige wat hem
troost biedt is zijn duim om aan te sabbelen. Zijn ouders willen
niet dat hij hen aanspreekt met ‘ma’ en ‘pa’ en hebben zo hun eigen
problemen: moeder (Tilda Swinton) is verliefd op haar favoriete
tv-acteur (Benjamin Bratt) en vader (Vincent D’Onofrio) kan zijn
gefaalde footballcarrière maar niet verwerken. Zijn obsessieve
orale fixatie begint steeds zwaarder te wegen en Justin is van plan
om er iets aan te doen. Met de hulp van een ‘new age’ tandarts (een
hilarische Keanu Reeves met een al even hilarisch surferkapsel) en
een Ritalinekuur verandert Justin van stille eenzaat in
hyperactieve streber die onder de vleugels van een leraar (een
sterke Vince Vaughn) de ene debatwedstrijd na de andere wint.
Wanneer alles eindelijk wat vlotter lijkt te verlopen, komen zijn
ontluikende seksualiteit en de stijgende spanningen binnen het
gezin roet in het eten strooien.

Het verhaal over een opgroeiende tiener (of twintiger, dat werkt
even goed) die geconfronteerd wordt met zijn angsten is niet nieuw.
Het is een populair thema dat de laatste jaren steeds meer
terugkeert. Of je nu in Dawson’s Creek woont, een ‘l’Auberge
Espagnole’-Erasmusjaartje doet of gewoon naar huis terugkeert zoals
Zach Braff in ‘Garden State’, het
leven van een jongeling op de rand van volwassenheid is vooral
vallen, opstaan en proberen om enige zin aan al die pogingen te
geven. En de kans dat je een allesomvattend antwoord (alsof er al
een is) op die ‘waar draait het nu eigenlijk allemaal om?’-vragen
vindt, is wel heel klein. Allemaal onvermijdelijke struikelblokken
waar enkel die hippe tieners uit ‘Spring’ blijkbaar geen last van
hebben. Het is een eenvoudige premisse, waar je zowat alle kanten
mee uitkan, mits enige creativiteit. En met de hulp van zijn
bekwame cast slaagt regisseur Mike Mills daar wonderwel in.

De kracht van de film ligt vooral bij de vertolkingen. Acteurs
vandaag krijgen eigenlijk veel te weinig de kans om in de huid
kunnen kruipen van interessante personages die zo net ietsje anders
zijn dan de rest. Ze zijn niet altijd realistisch, maar ze blijven
steeds boeiend en wat ze zeggen houdt vaak verrassend goed steek.
De acteur om in de gaten te houden is Lou Taylor Pucci, een tenger
baasje met een breekbaar stemmetje die zo de bastaardzoon van
Johnny Depp en Keanu Reeves zou kunnen zijn. Pucci is perfect
gecast als de troubled teen met een zuigcomplex die nog niet
klaar is (wie wel?) om volwassen te worden. Met zijn enigmatische,
verstrooide blik probeert hij de wereld te begrijpen waar hij zich
zo op zijn ongemak in voelt. Hij past zich aan, maar hierdoor
verliest hij niet alleen zijn identiteit maar raakt hij ook juist
nog meer vervreemd. Het zijn herkenbare handelingen en Pucci weet
het met een natuurlijke vertolking perfect weer te geven zonder het
fake te laten overkomen. Geef die knul een degelijke manager
en laat hem maar los zou ik zo zeggen.

Ook de rest van de cast laat knappe dingen zien. Tilda Swinton
voelt zich veel meer op haar gemak wanneer ze een ingetogen
prestatie mag neerzetten dan wanneer ze verloren loopt tussen
crappy decors en ostentatieve CGI-uitbarstingen (beter bekend als
‘The Chronicles of Narnia’). Ook
D’Onofrio (yup, soldaat Pyle uit ‘Full
Metal Jacket’
) is zelden beter geweest als de vader die niet
met zijn zoon kan communiceren omdat hij zijn eigen complexen nog
niet heeft kunnen verwerken. De rolletjes van Keanu Reeves, Vince
Vaughn en Benjamin Bratt (heeft die laatste ooit al in een goede
film gezeten?) zijn eigenlijk niks meer dan veredelde cameo’s, maar
het is ongetwijfeld het beste wat de heren de laatste jaren hebben
uitgespookt. Reeves is zelfs een heuse scene stealer met zijn
mystieke tandartsenfilosofie, waar gaan we dat moeten
schrijven.

Er valt dus heel wat positiefs te melden over deze ‘Thumbsucker’.
Leuke acteerprestaties, een frisse en relaxte regie met af en toe
een surrealistische prik en een originele soundtrack die je bijna
letterlijk uit je zeteltje zal doen zweven. Het is alleen jammer
dat er inhoudelijk niet zoveel nieuws wordt gedaan dan wat we in
andere, soortgelijke films al hebben gezien. Daarnaast heeft Mills
het ook wat lastig om zijn film als samenhangend geheel te brengen.
Sommige sequenties staan te los van elkaar en worden te zwak
geïntegreerd. Bepaalde stukken (het middenstukje met de
debatwedstrijden bijvoorbeeld) klikken niet erg stevig met de rest
van het verhaal en komen dan ook vrij fragmentarisch over. Typische
beginnersfouten waar ook Mills het moeilijk mee heeft.

uOp het einde van de dromerige rit kunnen we ‘Thumbsucker’ met veel
gemak sorteren onder de categorie ‘beloftevolle debuten’, zowel
voor regisseur Mills als voor acteur Pucci. De film heeft zijn
foutjes en we hebben het allemaal wel al eens eerder gezien, maar
het zou zonde zijn om dit kleinood niet de kans te geven die het
verdient. En een film waarin Keanu Reeves opdraaft als
hippie-tandarts, dat wil toch niemand missen zeker?

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

een + 7 =