Willard Grant Conspiracy :: Let It Roll

Er zijn zo van die songs die, ook al zijn ze niet eens representatief, vaak meer prijsgeven over een band dan de rest van hun oeuvre in beschouwing genomen. Het titelnummer op Let It Roll, het zesde studioalbum van Willard Grant Conspiracy, is er zo eentje. Het rockt. En hoe.

Woester en kolossaler dan eender welk ander nummer dat Robert Fisher en de zijnen ooit op tape hebben gezet; "Let It Roll" is niets minder dan een massieve decibelvreter en de muzikale tegenhanger van Erich Von Stroheims epische Greed: een bruut briesend, genadeloos snarenfestijn dat raast met een doelgerichtheid en klankkleur die herinneringen oproepen aan Neil Youngs Panavision-epiek Everybody Knows This Is Nowhere (al heeft dat witte keffertje intussen al lang de benen genomen), de muisgrijze nachtpracht van treurwilgcollectief Tindersticks ("Jism", mét schuimvlokken in de mondhoeken), de meest diabolische preek van een bezeten Nick Cave (en enkel die Nick Cave) en de broeierige noir Americana van Steve Wynn en de zijnen, die niet toevallig bijdragen aan de geluidsstroom van snerpende, klagende viool — iemand lijkt erop uit de snaren te willen splijten, als waren het door de zon verdorde haren —, jankende, ziedende, alles-op-hun-weg-vermorzelende gitaren en vooruitbonkende drums die een geselend slavenschiptempo aangeven, terwijl Fisher, de verpersoonlijking van de gebiedende wijs ("Let it roll", inderdaad), de woestijnprofeet die zijn medestanders door de Mojave leidt, als het controlerende oog van de orkaan de vernieling dirigeert, orchestreert en boetseert tot vijfhonderddrieenzestig seconden maagomkerend intense bulderdrang met meervoudige climaxen.

Met vijf rockers op tien songs is dit de potigste plaat van Willard Grant Conspiracy totnogtoe, maar laat er geen twijfel over bestaan: in de loop van het uurtje dat het album in beslag neemt, is "melancholie" nog steeds hét sleutelwoord. Fisher klinkt dan wel half bezeten tijdens het titelnummer, het gaat er ingetogener aan toe in de andere nummers, die hun tijd nemen om zich te ontvouwen. De negen monotone minuten van "Breach" zijn dan echt wel wat veel van het goede. Daar tegenover staan dan wel roestige brokken weemoed als "Dance With Me", dat wordt opgesmukt met mooi gitaarwerk van Jason Victor (Steve Wynn), en het breekbare "Mary Of The Angels", dat naar etherische sferen wordt gestuurd door de backing vocals van Mary Lorson. Je kunt amper spreken van variatie, al is dat waarschijnlijk de minste zorg van Fishers fans.

De vlottere nummers maken het album interessanter: zo is er het luchtige, met Steve Wynn geschreven "Flying Low", dat wel erg dicht bij pop aanleunt, terwijl ook "Crush" met enige goede wil te klasseren valt onder de "feel good"-afdeling. Nog beter zijn "Skeleton", dat een evenwicht probeert te vinden tussen ontbeende strofes met spaarzame gitaaruithalen en een zomers refrein; en tenslotte een cover van Bob Dylans "Ballad Of A Thin Man". Dat is een moedige keuze –- menig artiest mispakte zich al aan het legendarische Highway 61 Revisited — maar Fisher vindt snel het evenwicht tussen respect en creativiteit. Zelf verre van een prutsschrijver, beseft hij dat (ogenschijnlijke) details met de nodige aandacht moeten behandeld worden. De spanningsopbouw van het nummer gebeurt zo subtiel dat je als luisteraar amper beseft dat er in zes minuten naar een aardige climax wordt toegewerkt.

Als alle tien songs op Let It Roll even sterk zouden zijn als het machtige titelnummer, dan was het nu al onze favoriet voor dit jaar. Er is echter geen enkel moment waar het album een vergelijkbare impact weet te maken, al wordt er naar goede gewoonte vrijgevig omgesprongen met mooie accenten, flarden tekst en atmosfeer. Dit alles maakt het album nét iets minder sterk dan Regard The End (2003), dat voorlopig het beste album blijft van de Bostonse beer & Co. Maar… die titelsong!

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

8 + 2 =