The Producers




Eerst maar even een lesje filmgeschiedenis: Mel Brooks maakte in
1968 zijn regiedebuut met ‘The Producers’, een verschrikkelijk
politiek incorrecte komedie over twee malafide theaterproducenten
die geld willen kloppen uit een musical rond Hitler. Er werd
gelachen met homo’s, oude dametjes, Zweedse seksbommen en
natuurlijk neo-nazi’s, er werd ongelooflijk geschmierd door zowat
alle acteurs en de constante slechte smaak wilde maar niet
ophouden. De hele wereld was er gek van, en Brooks kreeg zelfs een
Oscar voor het beste scenario. Flash foward naar de vroege jaren
2000. Mel Brooks is ondertussen hoogbejaard, de laatste film die
hij regisseerde was de flop ‘Dracula: Dead and Loving It’, en de
brave man heeft geen nieuwe ideeën meer. Dus wat doet hij? Hij
maakt van zijn eerste succes, ‘The Producers’, een Broadway
musical. Nu, met de release van filmversie van die musical, is de
cirkel weer rond: we krijgen hier een film, gebaseerd op een
musical, gebaseerd op een film die over een musical ging. Verdomd
grote cirkel, ja, maar toch: rond is hij.

Eén van de beroemdste uitspraken die Brooks ooit heeft gedaan, was
dat zijn films niet vulgair waren: ‘My movies rise below
vulgarity.’
En daar had hij gelijk in: Brooks heeft heel z’n
carrière lang bewust de onderste regionen van de onnozele humor
opgezocht. Denk maar aan de bonenscène uit ‘Blazing Saddles’ of
Madeline Kahn als keizerin Nympho in ‘History of the World, Part
I’. Ook de originele ‘Producers’ was plat en bij tijden ronduit
belachelijk. Maar het tempo lag zo geweldig hoog, en de sfeer van
de film was zo onschuldig, dat je je er nauwelijks aan kon storen.
Hysterie was de normale toon van de prent, en 83 minuten lang viel
daar best van te genieten.

Nu is er dan de musicalversie, die net zo hysterisch is als de
eerste film, maar dat maar liefst 134 (!) minuten lang. En buiten
de platte humor, krijgen we ook nog eens ongegeneerde kitsch
tijdens de zangnummers. Zoals een bekend politicus ooit zei: trop
is te veel. Na een tijdje krijg je de indruk dat regisseur Susan
Stroman haar acteurs simpelweg de instructie gaf: ‘Loop maar wat
over en weer op de set en gil zo luid mogelijk.’ Zó chaotisch en
vermoeiend is ‘The Producers’ anno 2006.

Het verhaal is in principe onveranderd gebleven: Max Bialystock
(hier gespeeld door Nathan Lane, in ’68 door Zero Mostel) is een
corrupte theaterproducent die al in jaren geen hit meer heeft gehad
en financiering moet zien los te krijgen van geile oude vrouwtjes.
Na een ontmoeting met de überneurotische boekhouder Leo Bloom (hier
Matthew Broderick, vorige keer Gene Wilder, en ik snap nog steeds
niet wat een verwijzing naar ‘Ulysses’ in dit soort film komt
doen), krijgt Bialystock het idee om munt te slaan uit een volgende
mislukte productie. Hij besluit het script ‘Springtime For Hitler’
op de planken te brengen, geschreven door een gesjeesde ex-nazi
(Will Ferrell), en maar liefst twee miljoen dollar te investeren in
de show, die er maar 100.000 zal kosten. Als de show mislukt,
kunnen hij en Bloom de overschot van dat geld in hun eigen zak
steken. Wordt het toch een succes, dat hebben ze natuurlijk zware
problemen.

‘The Producers’ is bovenal een drukke film. Dat was hij al
in ’68, en dat is hij nu nog steeds: de acteurs rennen heen en
weer, schreeuwen en trekken gezichten, vallen in pure
slapstick-stijl om de twee minuten op hun kont en ze gesticuleren
alsof ze levende windmolens zijn. In de eerste film was dat nog te
verantwoorden, omdat elke scène slechts een minuut of vijf duurde,
en die korte segmentjes werden dan ook volgestouwd met zoveel
mogelijk grappen en situaties. Door de transformatie naar de
musicalvorm, wordt alles echter vrijwel automatisch uitgerokken tot
twee of drie keer dezelfde lengte. Neem nu een scène waarin
Bialystock en Bloom een regisseur voor hun musical gaan opzoeken:
Roger DeBris (Gary Beach) is een supernicht die in een glitterjurk
de kamer komt binnengetreden. In de versie van ’68 was dàt de
punch-line van de scène en hield het daarmee op. In deze versie
wordt er echter nog een heel koor aan andere verwijfde homo’s in
roze pakjes bijgesleurd en krijgen we een liedje van zo’n tien
minuten, waarin de veren van de boa’s in het rond vliegen. Wat toen
al een beetje naar de overkill neigde, gaat hier ver, ver, ver over
de top. Zover over de top, dat de top niet eens meer zichtbaar is
in de diepte.

Nog een probleem met die overacting, is dat Zero Mostel en Gene
Wilder tenminste overacteerden als de personages. Lane en Broderick
daarentegen, doen absoluut niets om zich de personages eigen te
maken, maar imiteren gewoon hun voorgangers. Vooral Broderick heeft
daar last van: hij probeert zich de tics en zelfs de spraakpatronen
van Gene Wilder eigen te maken, maar eindigt enkel met een
irritante nabootsing. De beide hoofdacteurs speelden dezelfde
rollen ook al op Broadway, en ze zijn schijnbaar vergeten dat het
niet meer nodig is om de mensen op de achterste rij te bereiken met
hun groteske mimiek en vocale capriolen.

De musicalnummers zelf zijn onmemorabel (ik daag iedereen uit om
twee dagen na het bekijken van de film ook maar één liedje na te
neurieën) en wat erger is: ze dragen niets bij aan het verhaal. In
feite krijgen we de hele plot tijdens de gewone dialoogscènes,
waarna de liedjes nog eens herhalen wat we al wisten. Vergelijk
bijvoorbeeld het begin van de originele film en deze: Leo Bloom
twijfelt aanvankelijk of hij wil meewerken aan Bialystocks plan,
maar omdat hij zich zo verveelt in z’n saaie leventje, doet hij het
toch. In ’68 had Mel Brooks daar één goeie dialoog van drie minuten
voor nodig. Hier krijgen we maar liefst twee nummers van meer dan
vijf minuten om hetzelfde uit te leggen. Aan het einde van de film
zingt Nathan Lane een liedje waarin hij de hele plot nog eens
recapituleert, allicht voor de mensen die de voorbije twee uur niet
hebben opgelet. Waarvoor is dat nodig? Alleen maar om tijd te
rekken, veronderstel ik, want verder hebben die nummers geen enkel
nut.

Een klein lichtpuntje: we krijgen Uma Thurman als wulpse
secretaresse Ulla, die halverwege de prent opduikt en vervolgens
onophoudelijk met haar kont en borsten schudt. Zo hebben we toch
nog iéts interessants om naar te kijken. Voor het overige is dit
puur afval: een musical zonder goeie liedjes, een komedie die de
slechte smaak van toen combineert met onuitstaanbare kitsch van
vandaag, en dat alles tot een ondraaglijke lengte van twee uur en
een kwartier uitrekt. Zou Mel Brooks niet beter definitief op
pensioen gaan, nu er nog een kleine kans bestaat dat hij herinnerd
zal worden als de regisseur van ‘Young Frankenstein’?

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

14 + tien =