Arctic Monkeys :: Whatever People Say I Am, That’s What I’m Not

De afgelopen maanden leek Jezus een waardige tegenstander te krijgen in de vorm van Arctic Monkeys-frontman én semi-hip-gecoiffeerde puberidool Alex Turner. Heelder hordes Britse jongelui zagen het licht en besloten hun leven integraal aan Turners band te wijden. Gewapend met een Etienne Vermeersch-attitude en duivelshoorntjes nemen we ook een lurk van de opium voor het volk.

Waar sommigen nog rondworstelden met de definiëring van het begrip hype, stond het voor NME in de sterren geschreven: de hedendaagse pop krijgt een nieuw gezicht. Een alarmerend statement gezien het feit dat we de vorige messias, Razorlights Johnny Borell, niet al te veel water in wijn hebben zien veranderen. Gelukkig worden er wel broden à volonté vermenigvuldigd door de ijskoude snotaapjes. Hun plan het geloof wereldwijd te verspreiden was briljant in al zijn eenvoud. Vooraleer moedwillig in de klauwen van de Britse tabloids te belanden moesten er eerst een stel puntgave alternatieve poprocksongs gefabriceerd worden waar de wereld en masse plat voor zou gaan. En zo geschiedde: de kwistig uitgedeelde demotracks circuleerden met een snelheid analoog aan de VLD-tops’ viriliteit over de digitale snelweg om pubers van Betlehem tot Zottegem te bekeren.

Louter fysionomisch kwam dat nieuwe gelaat van de popmuziek ons wel erg bekend voor. Toegegeven, het was lang wachten op een band die de brug zou slaan tussen de prefab-garagerock en de Britse eighties postpunk-revival, maar dergelijke coöpererende recyclage is bezwaarlijk als nieuw te betitelen. Dat het geen equivalent is van het eindeloos uitkauwen van langvervlogen invloeden bewijzen de Arctic Monkeys. Ook al zijn ze vergeten een "The" voor hun naam te plakken, met een stel pakkende riffs weten ze menig dronken Schot in tweeën te splijten. Opener "The View From The Afternoon" rammelt zo naar aloude garagerock-traditie een heel eind weg. Voordat garagerock-puristen allerlande zich formeren tot een knoksquad om ons in elkaar te timmeren: het gaat hier wel om The Strokes-op-Clearasil-variant. Beschaafde energieke rockers met incidenteel een scherp kantje. Gepensioneerd ongeleid projectiel in de Britse charts "IBYLGOTD" wordt er zo ook in sneltreintempo doorgejast.

Succes gegarandeerd voor nieuwe single "When The Sun Goes Down". Na de ingetogen aanloop volgt er een gewelddadige shot repetitieve gitaarpop waarvan de meezingfactor nauwelijks te kwantificeren valt. Ook op het einde van het veel funkier getinte "Fake Tales Of San Francisco" worden de Monkeys weer betrapt op hun handelsmerk: unisone samenzang in overdrive. Daarnaast zijn de nodige referenties naar een van de voorvechters van oprechte pop vermomd als postpunkfunk, Franz Ferdinand, niet van lucht. "Red Light Indicates Doors Are Secured" zou een doublure kunnen zijn voor hun "Van Tango". Ook "Dancing Shoes" lijkt die typische retro-eighties-generatie tic te hebben. Als de catchphrase You sexy little Schwein weerklinkt is een rondje kontshaken zelfs voor de grootste atheïst, Etienne?, moeilijk te weerstaan.

Tempowisselingen en niet-traceerbare refreinen zijn troef op het hele album. "Mardy Bum" trekt zich zo halverwege zachtjes op gang terwijl "From The Ritz To The Rubble" al na een halve minuut explodeert. Alleen "Riot Van" blijkt een sof van jewelste te zijn die tamelijk nutteloos staat te wezen als halven trage.

U zal ons niet op straat spotten in habijt, drukdoende de leer te verkondigen. Een hallelujah voor dit fijne debuut kan er wel net af. Op een enkel nummer na houdt het hele album strak de pas van de up-tempo gitaarpop zonder zich te verliezen in al te veel rijmelarijen. Het is misschien niet altijd even cultureel verantwoord — bij momenten zelfs een beetje puberaal — maar als zaterdagavondopvulling staat deze plaat als een huis. Altijd aangenamer dan je zondag in de kerkbanken doorbrengen.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

vijftien + negentien =