Crash




Het filmbedrijf is toch een vreemd beestje: een mens kan jarenlang
in de marge van de industrie blijven werken en niet opgemerkt
worden, en dan heb je maar één succes nodig om plotseling the
next big thing
te worden. Dat is wat momenteel Paul Haggis
overkomt. De man zat al sinds eind jaren tachtig aan te rommelen
als schrijver van tv-series allerhande zonder dat hij het kon maken
in de film, tot hij verleden jaar het scenario leverde voor Clint
Eastwoods tamelijk magistrale ‘Million
Dollar Baby’
. Nu maakt hij zijn regiedebuut met ‘Crash’, en
opnieuw komen de critici haast superlatieven tekort om zijn lof te
zingen. Het weze hem gegund, want hoewel ‘Crash’ onmiskenbaar een
aantal beginnersfouten bevat, is dit oprechte, goed gemaakte,
doorleefde cinema, die een welkome afwisseling betekent van de
sentimentele clichés die Hollywood gewoonlijk naar ons hoofd gooit
onder het mom van “drama” (nog ‘Cinderella Man’, iemand?).

Haggis heeft van ‘Crash’ een mozaiekfilm gemaakt die een tiental
personages volgt over de loop van pakweg 48 uur in Los Angeles.
Brendan Fraser en Sandra Bullock zijn de openbaar aanklager van de
stad en zijn vrouw, wiens auto gestolen wordt door twee zwarte
jongeren (gespeeld door Larenz Tate en Ludacris). Don Cheadle is
een zwarte rechercheur die een relatie heeft met zijn partner, een
Latina – hij verwijst naar haar als een Mexicaanse, hoewel ze
helemaal niet van daar afkomstig is. Matt Dillon is een flik die
pissig is omdat zijn vader geen goeie medische verzorging kan
krijgen. In z’n frustratie steekt hij de schuld op “positief
gediscrimineerde” zwarten, en wanneer hij een zwart koppel
tegenhoudt in hun auto, besluit hij op z’n eigen subtiele manier
wraak te nemen. Zijn partner, een idealistisch groentje (Ryan
Philippe) vraagt achteraf om overgeplaatst te worden. Het koppel in
de wagen, gespeeld door Terrence Dashon Howard en Thandie Newton,
ontmoet beide agenten later nog in heel andere omstandigheden. En
dan zijn er nog een Iraanse winkelier die het slachtoffer wordt van
vandalisme, en een Latijns-Amerikaanse slotenmaker die het stilaan
beu is dat iedereen hem bekijkt alsof hij hen gaat bestelen.

Veel van die mozaiekfilms duren twee en een half à drie uur, en
daar is een goeie reden voor: het verhaal van tien mensen vertel je
nu eenmaal niet zo snel als dat van twee. Gezien het uitgebreide
gamma aan personages dat we hier krijgen, is het ongelooflijk dat
Haggis erin geslaagd is om z’n speelduur te beperken tot een zeer
strakke 105 minuten. Het voordeel van die aanpak is dat de film
letterlijk voorbij vliégt: elke minuut zit volgestouwd met
informatie, er zit geen grammetje vet aan. Het nadeel is dan weer
dat een paar van de personages te weinig tijd krijgen om een
duidelijke indentiteit aan te nemen. Brendan Fraser en Sandra
Bullock zijn hier wellicht de grootste slachtoffers van, met
personages die nauwelijks enige ruimte te krijgen om te bewegen.
Het is vrijwel onmogelijk om een realistisch personage neer te
zetten als je maar vijf minuten in beeld bent. De acteurs doen hun
best, maar hun bijdrage is te klein om echt een indruk na te
laten.

Hier en daar vergaloppeert Haggis zich dus wel, door er teveel
personages bij te willen sleuren op te weinig tijd – dit is één van
de zeer weinige films van de laatste jaren waarvan ik zat te
denken: was hij maar wat langer geweest. Maar daar moet wel
bijgezegd worden dat Haggis perfect weet hoe hij z’n scenario moet
construeren om het publiek georiënteerd te houden. Het feit zowat
elke figuur gespeeld wordt door een bekende acteur helpt uiteraard
om niet verloren te lopen tussen de vele plotlijnen, maar het
scenario van Haggis is ook gewoon bijzonder clever in elkaar
gestoken. De schrijver-regisseur werkt met één overkoepelend thema
(racisme, mocht u er nog aan twijfelen), en doet er vervolgens zijn
zegje over door de personages constant aan elkaar te spiegelen en
door constant ironie te gebruiken. Een voorbeeld: wanneer de
slotenmaker ‘s avonds thuiskomt, ontdekt hij dat zijn vijfjarige
dochtertje zich onder z’n bed heeft verstopt, omdat ze bang is voor
mannen met pistolen. De vader gaat op de grond liggen en probeert
z’n kind te overtuigen om toch maar in bed te gaan liggen. Later in
de film zien we hoe Matt Dillon een vrouw uit een autowrak redt. De
wagen ligt ondersteboven, en Dillon moet op de grond gaan liggen om
met de vrouw te kunnen praten en in de auto te kruipen. Haggis
filmt die scène op identiek dezelfde manier als de scène tussen
vader en dochter onder het bed. Hij creëert een visuele echo voor
ons, die we misschien niet bewust oppikken, maar die onderbewust
wel meespeelt. De personages worden op die manier subtiel
gespiegeld. In essentie zijn ze allemaal hetzelfde.

Veel opvallender is de ironie die Haggis gebruikt. Dillon en
Philippe zijn er alletwee bij om het zwarte koppel tegen te houden
– Dillon gedraagt zich op een schandalig racistische manier,
Philippe is geschokt. Maar tegen het einde van de film wordt de
morele verhouding tussen hen op een drastische manier omgedraaid.
Iedereen heeft goed kwaad in zich, iedereen leeft met ingebakken
raciale vooroordelen, ook al proberen we nog zo om die niet te
laten meespelen. Nog een voorbeeld daarvan is een scène waarin we
twee zwarte jongens door een blanke buurt zien lopen – ze spreken
op een geestige, intelligente manier over de problemen van zwarten
en de vooroordelen waarmee ze te kampen hebben. Dit zijn slimme
jongens die in niets lijken op straatschoffies. Daarna stelen ze
een auto.

Haggis heeft niet echt fundamenteel nieuwe dingen te zeggen over
racisme. Het is verfrissend dat racisme hier niet wordt beperkt tot
de angst van blanken voor zwarten – ook zwarten hebben zo hun
vooroordelen, en ook Aziaten, Latino’s en mensen uit het
Midden-Oosten hebben met het probleem te kampen. Maar buiten de
observatie dat mensen overal hetzelfde zijn, en dat goeie mensen
soms slechte dingen doen, komt Haggis niet echt tot een diepzinnige
conclusie. Misschien is dat ook niet nodig, misschien is het
voldoende dat er nog eens een pakkende film wordt gemaakt die het
publiek aan het denken en discussiëren zet – tenslotte heeft een
filmmaker niet de verplichting om ons hapklare antwoorden te geven.
Pakkend is ‘Crash’ zeker – aan het einde gaat Haggis ietwat over de
top met een overdreven manipulatieve scène tussen de Iraanse
winkelier en de slotenmaker, maar het is wél een hevig emotioneel
gechargeerde film, die maar weinig mensen onberoerd zal laten. De
regisseur zet alles trouwens zeer knap in beeld, met lange
steadicam- en handgehouden shots, die een passend ruwe,
ongepolijste look aan de film geven. Haggis begint niet met z’n
camera te schudden en gaat ook niet voor opvallende
ijdelheidsshots, maar zorgt er gewoon voor dat z’n prent niet al te
afgeborsteld gaat lijken.

‘Crash’ had vast en zeker gebaat bij enkele extra scènes, om een
aantal van de personages beter uit de verf te laten komen en de
thematiek misschien nog iets verder uit te diepen. Het is een prent
met gebreken, ja, maar who cares? Want uiteindelijk is het ook een
gedurfde, intelligent in elkaar gestoken film die het hart op de
juiste plaats heeft zitten.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

17 + 9 =