U2 :: 10 juni 2005, Koning Boudewijn Stadion

U2 kwam nog eens naar België en zelden was het woord overkill meer op zijn plaats. We werden weken op voorhand met specials bestookt, interviews met iedereen die ooit maar in hun nabijheid toefde en natuurlijk: citaten van de Heilige Bono zelve. Als de Vlaamse muziekpers ooit het woord “nuance” helemààl vergat, was het de afgelopen week wel.

En het was zo al gemakkelijk als hoofdredacteur van een muziekmagazine dat eerder richting indie neigt om met een stevige dosis scepsis naar een optreden van U2 te trekken. Je weet immers dat er je een degelijke show te wachten staat, de vraag is maar: is er nog sprake van die vonk die een optreden meer dan een routineuze bedoening maakt?

Er mag dan nog zo’n U2-fan in ons schuilgaan, van die laatste twee U2-platen waren we niet echt kapot. En dus is het helemaal moeilijk om niet in sarcastische recensieklare volzinnen te beginnen denken over hoe Bono weer de perfecte publieksmenner is in opener “Vertigo” en “Elevation”. Je doopt tijdens “Miracle Drug” je pen al mentaal in het gif om het oh-zo doorzichtige “dit is een trage, dus gaan de videobeelden plots op zwart-wit”-truukje te fileren. Je hoort echter tevreden ook oudjes “The Electric Co.” en “New Year’s Day” voorbijkomen.

Passeren nog in dit eerste deel: meer materiaal uit How To Dismantle An Atomic Bomb en All That You Can’t Leave Behind. Soms is dat nog geweldig (“City Of Blinding Lights”), maar ook ronduit vervelend tijdvulsel (“Miracle Drug”). En dat alles met een al te wisselvallig geluid. De plaatsing van geluidstorens halverwege het terrein verbetert al veel aan de zaak in vergelijking met de treurnis die Bruce Springsteen twee jaar geleden tebeurt viel, wanneer die tot vier maal toe dienst weigeren is het toch maar vloeken.

En dan gebeurt er iets wanneer het politieke halfuurtje toepasselijk wordt geopend met “Love And Peace Or Else”. Bono kruipt op zijn preekstoel en “Sunday Bloody Sunday” en “Bullet The Blue Sky” volgen rug aan rug. Waarna “Running To Standstill” wordt opgedragen aan de voormalige Ierse Presidente en nu mensenrechtenactiviste Mary Robinson. Dit is waarvoor het volk U2 ooit omarmde, en waarvoor de pers ze zo hartsgrondig ging haten eind jaren tachtig.

Met “Pride” en vooral daarna “Where The Streets Have No Name” schiet het stadion plots in de fik. Niet zoals dat eerder met “Vertigo” al gebeurde, er hangt iets meer in de lucht. Plots lijken alle artikels over hoe U2 begin jaren negentig zichzelf moest heruitvinden omdat de wereld was veranderd irrelevant. Of toch minstens hopeloos achterhaald. Dit zijn geen tijden meer voor onthechte, coole ironie. Het is niet meer het moment voor “de problemen zijn te complex geworden voor eenvoudige slogans dus verbergen we ons maar in holle slagzinnen en schalkse poses”.

Het videoscherm predikt er samen met Bono op los. Over Live Aid. En de Verklaring van de Rechten van de Mens. Neen, het gaat er niet om dat Bush Jr. een soort heruitgave is van Reagan of dat Blair Thatcher een onberekend doetje doet lijken. Waar het om gaat is een ongenuanceerde keuze voor rechtvaardigheid. En als dat alleen maar bereikt kan worden door een trol als Baroso te knuffelen, so be it. Je kunt Bono haten om de schaamteloosheid van het alles, je kunt ook bedenken dat hij tenminste iets probeert.

Dit is het punt: de nummers van die oh zo vermaledijde, doodserieuze, witte-vlag-wuivende U2 hebben nog niets van hun actualiteitswaarde verloren. Wanneer tijdens “Sunday Bloody Sunday” het woord “co-exist” wordt gevormd met een Halve Maan, een Davidsster en een Kruis, is dat relevanter dan ooit. In vergelijking daarmee voelen klassiekers als “Zooropa” en “The Fly” met hun flirt met Oostblok-iconografie (Bono met kepie, de videowall als een communistische muurschildering,..) uit het Achtung Baby-tijdperk veel meer aan als voorbij hun houdbaarheidsdatum.

Het is het verschil tussen Zeitgeist-surfen en authenticiteit. Tussen muziek die tijdloos is en een plaat die de tijdsgeest perfect weet te vatten. Die laatste vergeelt met de jaren, de eerste wint alleen maar aan glans. En dat wordt vanavond duidelijk: de enige momenten dat U2 het statuut van goed draaiende dinosaurus overstijgt is wanneer ze teruggrijpen naar de eerlijkheid van de jaren tachtig. Dàn is plots wel terug magie voelbaar.

Met de laatste bissen wordt nog eens stevig geput uit die ondermaatse laatste plaat How To Dismantle An Atomic Bomb. Het doet er niet meer toe: het is tijd rekken. Al knalt “Vertigo” in de afsluitende reprise nog eens heerlijk. Even, een nummer of drie lang in dat geëngageerd blokje, was terug voelbaar waarom U2 heden ten dage er wel nog kan toe doen. Of niet? Het geluid van hun jaren tachtig hebben ze sinds All That You Can’t Leave Behind immers wel teruggevonden, de overtuiging lijkt muzikaal wat zoek. U2 zijn wel degelijk de Rolling Stones van deze nieuwe eeuw: betrouwbaar, gesmeerd en om de zoveel jaar terugkerend. Maar helaas ook een act die teert op zijn verleden.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

1 × vijf =