Spoorloos




De carrière van regisseur George Sluizer is één van de weinige,
samen met misschien die van Michael Cimino en Peter Bogdanovich,
die je echt tragisch kunt noemen. De man toonde een ongelooflijk
talent met zijn thriller ‘Spoorloos’, mocht zelfs naar Amerika
verkassen omdat die zo goed ontvangen werd, en verknalde het
vervolgens fenomenaal. Hij maakte zelfs de remake ‘The Vanishing’,
waarin hij z’n eigen film totaal de mist in hielp gaan, en
sindsdien heeft hij zich onledig gehouden met projecten zoals het
nooit afgewerkte ‘Dark Blood’ en ‘La Balsa de Piedra’, dat u
natuurlijk allemaal hebt gezien. Dit is een man die één keer,
misschien per ongeluk, een fantastische opflakkering van talent
liet zien en vervolgens even snel weer uitdoofde. Niet dat u
daarvan hoeft wakker te liggen: ‘Spoorloos’, zijn verfilming van
Tim Krabbé’s novelle ‘Het Gouden Ei’ uit 1988, staat er nog steeds
als een huis.

Rex Hofman (Géne Bervoets) en Saskia Wagter (Johanna Ter Steege)
zijn een jong koppel dat samen op fietsvakantie gaat in Frankrijk.
Tijdens een pit stop aan een tankstation gaat Saskia echter
drankjes kopen in het winkeltje om nooit terug te keren. Rex schiet
in paniek, haalt de politie erbij, maar zonder resultaat. Gedurende
de volgende drie jaar blijft Saskia spoorloos. Voor Rex begint een
obsessieve speurtocht naar zijn vriendin, die zijn hele leven gaat
overnemen – een nieuwe relatie, zelfs na drie jaar, is gedoemd
vanaf het begin omdat hij Saskia niet kan loslaten en zijn
dagelijkse leven bestaat uit het afdrukken en ophangen van posters,
verschijningen op Franse tv-programma’s en het opvolgen van tips.
Dan, op een mooie dag, staat er plots een ietwat sullig mannetje
voor z’n neus – een leerkracht chemie aan een Franse middelbare
school met een ringbaardje en absoluut niets dreigends in z’n
gedrag. Hij toont Rex Saskia’s autosleutels als bewijs dat hij haar
ontvoerder was en biedt hem één kans om mee te komen naar Frankrijk
en te ontdekken wat er met Saskia gebeurd is.

Wat ‘Spoorloos’ zo uitzonderlijk maakt, is de structuur ervan:
Sluizer neemt de meest fundamentele, doodeenvoudige conventies van
hoe je op een filmische manier een verhaal vertelt, en vult die
conventies vervolgens op zo’n manier in, dat hij de kijker van
begin tot eind op het puntje van z’n stoel houdt. Elke verhaal
bestaat in wezen uit drie akten, right? Set-up, ontwikkeling,
afloop. En Sluizer geeft ons drie akten: tijdens het eerste deel
krijgen we de relatie tussen Rex en Saskia te zien, hun reis door
Frankrijk en tenslotte de verdwijning. Dan in het tweede deel
verschuift de focus van de film plotseling radicaal en krijgen we
te zien wie de ontvoerder is: Bernard-Pierre Donnadieu speelt
Raymond Lemorne, brave huisvader en schoolmeester, die minutieus de
ontvoering van een willekeurig slachtoffer voorbereidt. De manier
waarop hij Saskia schaakt en wat hij vervolgens met haar doet,
blijft echter een raadsel. Tenslotte, in het derde deel, zoekt
Lemorne Rex op en begint hij hem te vertellen hoe zijn plannen
precies in elkaar zaten en wat zijn bedoeling was. Deel één gaat
dus over Rex, deel twee over Lemorne, in deel drie komen ze samen.
Dat is in wezen een zeer simpele structuur, maar het gevolg is dat
hoewel we na het eerste half uur van de film altijd méér weten dan
het hoofdpersonage, we tegelijk helemaal niets weten. ‘Spoorloos’
is geen whodunit, want we weten vrijwel meteen wie het gedaan
heeft. Ook de werkmethodes en motieven van de dader worden relatief
vroeg uit de doeken gedaan. De vraag waar het hier om gaat, is wàt
er precies gedaan werd, en het antwoord daarop krijg je pas tijdens
de laatste twee minuten van de film. Sluizer gaat hier rechtstreeks
tegen onze verwachtingen in: de meest voor de hand liggende vragen
worden meteen beantwoord, de informatie die in we een normale
thriller meteen zouden krijgen, wordt echter achtergehouden tot op
het laatste moment.

Ook interessant is de manier waarop de personages zijn uitgewerkt:
Lemorne, zo blijkt, is een intelligent man met een gezin, iemand
die een doktersbriefje met zich meedraagt om aan de politie te
bewijzen dat hij geen gordel hoeft te dragen in z’n auto. Zijn
motieven waren niet seks, geld of macht. Hij wou alleen zien of hij
in staat was om iets wreeds te doen. ‘Iedereen heeft wel eens
dergelijke gedachten,’ vertelt hij Rex, ‘maar niemand gaat er ooit
mee door, er is een rem in ons karakter die ons tegenhoudt. Bij mij
was die rem er niet.’ Zo simpel is het. Niet alleen is dat een
motivatie die de banaliteit van de doorsnee thriller overstijgt
(“Ik was een misbruikt kind en alle vrouwen zullen boeten! Boeten
zullen ze!”), maar wie goed oplet, merkt op dat moment ook de
echo’s op met het karakter van Rex. Aan het begin van de film
hebben Rex en Saskia een ruzie, wanneer ze zonder bezine vallen in
het midden van een tunnel. Rex loopt geërgerd weg en laat Saskia
achter in de auto – zijn vriendin slaat in paniek en roept z’n
naam. Let goed op het gezicht van Géne Bervoets op dat moment: hij
grijnst een kwaadaardig soort glimlachje. Hij heeft evenzeer een
kern van wreedheid in zich, net als iedereen. De vraag is alleen
waar dat ophoudt.

Géne Bervoets is overigens verrassend sterk als Rex: aan het begin
van de film is hij een ietwat zelfingenomen verhollandste Belg die
het nodig vindt om het Frans van Saskia te verbeteren en, hoewel
hij van haar houdt, haar toch ook betuttelt. Naarmate het verhaal
verder gaat, zien we echter iets in zijn blik verschijnen, iets in
zijn gedrag, dat verraadt hoezeer de zoektocht naar zijn vriendin
hem heeft verteerd. Hij ziet eruit alsof hij achter elke hoek haar
gezicht verwacht, alsof hij al drie jaar geen nacht meer heeft
kunnen slapen omdat haar herinnering hem achtervolgt. Tegenover hem
staat dan Bernard-Pierre Donnadieu, die er griezelig normaal en
joviaal uitziet: dit is een man van het goeie leven, iemand die je
geen twee seconden zou bekijken als je hem tegenkwam op
straat.

Tegenwoordig is dat bijna een constante geworden in thrillers: de
slechterik blinkt uit door z’n banaliteit en dan moeten wij
achterover vallen door de ironie van de situatie. Maar ‘Spoorloos’
werd gemaakt in ’88, op een moment dat we diep in de ‘Die Hard’,
‘Rambo’, Sylvester Stallone/Arnold Schwarzenegger-periode zaten. De
brainy thriller, die het van mentale in plaats van fysieke actie
moest hebben, zou in de (toch altijd overheersende) Amerikaanse
cinema pas echt doorbreken met ‘The
Silence of the Lambs’
– en in de Nederlandse filmindustrie was
dit genre sowieso al zeer zeldzaam. Sluizer deed hier dus wel
degelijk iets dat we nog niet zo vaak gezien hadden: hij maakte een
psychologische thriller zonder enige echte actie, die toch bijna
ondraaglijk suspensevol werd, enkel door de structuur ervan, door
de ideeën die erachter zaten en door de onderkoelde
acteerprestaties van de beide hoofdacteurs. Laat Sluizer dan nog zo
diep gezonken zijn, deze neemt niemand hem ooit af.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

een − een =