Michael Blanco




Een student die bezig was aan een acteursopleiding werd ooit
gevraagd waarom hij zo graag op de planken wilde staan, en hij
antwoordde: ‘Het is heel wat goedkoper dan psychotherapie. En het
werkt beter.’ Dat is nog steeds de algemene opvatting die mensen
hebben over acteurs, en misschien hebben ze wel gelijk: dat acteurs
mensen zijn hun eigen emoties, hun eigen frustraties in hun rollen
gieten en op die manier leren hoe ermee om te gaan. Een man die in
de bakker nauwelijks om een brood durft te vragen omdat hij zo
verlegen is kan plots een koelbloedige moordenaar worden in de
juiste rol. Alles wordt plots mogelijk, omdat je jezelf niet meer
hoeft te zijn. ‘Michael Blanco’, de debuutfilm van Stephan Streker
(eerder enkel verantwoordelijk voor een paar kortfilmpjes), gaat
uit van hetzelfde concept: een man die niet zozeer een groot acteur
wil worden, maar wel gewoon graag gezien wil worden, die populair
wil zijn. Die z’n eigen nietigheid wil overstijgen door in de
spotlight te gaan staan.

Michaël Goldberg speelt Michael Blanco, een Belgisch acteur die
wanhopige pogingen onderneemt om het te maken in Hollywood. We zien
hem aan tafel zitten met een sceptische casting director (sigaar in
de hand, natuurlijk), die hem vriendelijk uitlegt: ‘Als je business
wilt hebben, moet je eerst show kunnen verkopen. Dàt is
showbusiness. ‘ Met andere woorden: bedankt, maar nee, bedankt.
Michael stelt zich bloot aan ietwat lachwekkende lessen bij een
acting coach die hem ertoe verplicht om eerst te spelen hoe
klein België wel is en hoe groot de wereld, aan dictielessen van
een nogal irritante dame met een onuitputtelijke bron tongbrekers
en aan alle zelfhulpboekjes ter wereld – ‘Hoe word ik een ster
zonder moeite’, dat soort van zaken. En tussendoor droomt hij. Bij
elke filmpremière probeert hij een glimp op te vangen van de
filmster die hij zelf zou willen zijn en in z’n deprimerend flatje
speelt hij klassieke scènes uit belangrijke films van vroeger na
(inclusief een verrassend overtuigende Robert De Niro in de
Russische roulette-scène uit ‘The Deer Hunter’). Wanneer zijn
acteercoach hem vraagt of hij een acteur of een ster wilt zijn, is
zijn antwoord voor de hand liggend: allebei. ‘Ik wil dat mensen me
graag zien,’ bekent hij.

Wat Michael Blanco drijft, is niet zozeer een liefde voor de kunst,
als wel die hunkering naar aandacht en liefde. ‘Wanneer mensen me
zeggen dat ze niet bang zijn voor de dood, dan denk ik dat die
mensen wel gek moeten zijn – hoe kun je daar nu niet bang voor
zijn? De dood, dat is een eeuwigheid lang niets.’ Michael moét en
zal z’n stempel achterlaten op de wereld, hij wil iets betekend
hebben wanneer hij onder de grond moet. Enfin, laat ons zeggen dat
hij gewoon niet… blanco wil blijven (in dekking, dames en heren,
loslopende symboliek!). En dus gooit hij zich maar in een
Hollywoodavontuur dat schijnbaar nergens naartoe gaat.

Dat gegeven op zich is boeiend, het is een concept waarmee je wel
een film kunt maken, maar dat houdt dan wel de voorwaarde in dat je
mét dat concept iets doet. Een Belgische dromer die snakt naar
aandacht gaat naar Hollywood om dat te vinden. Oké, goed, dat is
het gegeven. En wat gebeurt er dan? Bitter weinig, eigenlijk.
‘Michael Blanco’ geeft de indruk dat de makers hier de eerste akte
van een scenario hebben genomen en dat eerste deel simpelweg hebben
uitgerokken over een lengte van 80 minuten. We zien Michael z’n
lessen volgen, we zien hem naar castingsessies gaan, troosteloos
over de straten van Los Angeles rijden of simpelweg uit de bol gaan
in z’n kamertje, waar hij al z’n opgekropte gevoelens vrijlaat in
een explosieve mix van dans, zang en schaduwboksen. Tussendoor
krijgen we twee Amerikaanse komieken te zien die als een waar
Grieks koor commentaar geven op de gebeurtenissen en op de
filmindustrie in het algemeen. Hun intermezzo’s zijn op zichzelf
genomen geen slecht idee, maar hun teksten zijn nooit zo geestig
als ze hadden kunnen zijn – ‘Je gaat naar zo’n castingbureau, en ze
vragen je of je ervaring hebt. Maar hoe kun je ervaring opdoen als
ze je nooit aannemen zónder ervaring?’ Dergelijke replieken zijn
ongetwijfeld een waarheid als een koe, maar erg grappig zijn ze
niet. Uiteindelijk is ‘Michael Blanco’ een film die gedurende zowat
z’n hele lengte ter plaatse blijft trappelen. Na een klein half uur
snàppen we allemaal al wel wie die figuur is, wat z’n ambities zijn
en waarom. Al de rest is enkel herhaling. Normaal gezien krijg je
na dat half uurtje dan de tweede en derde akten van het verhaal,
maar hier geven Streker en co ons gewoon meer van hetzelfde, zonder
dat het ook maar ergens naartoe gaat. Misschien had Streker wel een
goeie kortfilm kunnen maken met dit gegeven, maar om er een
volledige film mee te vullen (ook al duurt die dan maar 80
minuten), weegt dit concept duidelijk te licht.

Wat niet wil zeggen dat er geen aardige scènes zitten in ‘Michael
Blanco’: Streker weet op een inventieve manier te spelen met
visuele motiefjes, die de eenzaamheid en troosteloosheid van dit
klein, kalend Belgisch mannetje in de grote Amerikaanse stad moet
weergeven. We krijgen herhaalde shots van lelijke snelwegen,
bespikkeld met de lichten van auto’s – allemaal mensen die ergens
naartoe moeten, die een doel hebben of het zich op z’n minst niet
aantrekken indien ze dat niét hebben. Michael waart regelmatig rond
in zielloze winkels met een koele TL-verlichting of wordt getoond
in contrast met een ronduit gigantische pro-militaire poster:
‘Remember 9/11. Justice.’ Als u interesse hebt om ooit LA te
bezoeken, ga dan vooral niet naar deze film kijken – uw zin zal
snel overgaan.

‘Michael Blanco’ is een film met veel goeie bedoelingen, maar aan
het einde van de rit is hij simpelweg niet bijster interessant –
één van de eerste vereisten van een film is nu eenmaal dat er iets
gebeurt, of dat we op z’n minst de indruk krijgen dat er iets gààt
gebeuren. In ‘Michael Blanco’ krijgen we geen van beiden.

http://www.michaelblanco.com/

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

vier × 1 =