Ong-Bak




Het overkomt me niet vaak meer dat ik in een bioscoop zit en me
plotseling oprecht afvraag: “Wat gooien ze nu die zaal
binnen?” Iemand die ‘Gigli’ heeft
uitgezeten, is wel wat gewend, geloof me. Maar ‘Ong-Bak’ is toch
weer een geval apart: een Thaise kung-fufilm die nu al een schare
trouwe fans heeft verworven, maar voor het overige niet bepaald het
risico lijkt te lopen een kaskraker te worden. Sommige films zijn
echt alléén maar voor de fans gemaakt, zo blijkt. Alle anderen
hebben hier absoluut niks te zoeken.

Een echt verhaal is er niet – we komen te weten dat er in een
vredig Thais dorpje het hoofd van een Boeddhabeeld (de Ong-Bak)
wordt gestolen door kunstdieven die vanuit Bangkok opereren.
Plaatselijke lefgozer Ting (die naam!) wordt er door de
dorpsbewoners op uitgestuurd om het hoofd terug te vinden. Voilà,
dat is het. Op een zekere manier zorgt dat vrolijke gebrek aan elke
klassieke narratieve structuur ook voor een bizar soort zuiverheid
in de film: Amerikaanse actiefilms gebruiken de plot óók alleen
maar om een serie actiescènes aan op te hangen, maar ze zoeken
excuses voor dat feit door er veel te veel verwikkelingen bij te
slepen. In ‘Ong-Bak’ doen ze die moeite niet eens: het verhaal,
such as it is, bevat maar net genoeg elementen om de personages op
weg te kunnen sturen van de éne knokpartij naar de andere. Men
probeert hier het publiek op z’n minst geen blaasjes wijs te
maken.

Wat we krijgen, is een 105 minuten durende demonstratie van de
vechtstijl “Muay Thai”. Volgens onze goede vriend Google is Muay
Thai “de wetenschap van de acht ledematen” (klinkt als de aanzet
naar een goedkope, kinky pornofilm): de stijl zou al meer dan 2000
jaar oud zijn, en incorporeert zowel het gewone handen- en
voetenwerk, als geweld met de knieën en ellebogen. Er zullen
ongetwijfeld mensen zijn die dit horen en spontaan in de handen
beginnen te wrijven. Ik ben niet één van die mensen. Wat dat immers
in de praktijk wilt zeggen voor ‘Ong-Bak’, is dat we bijna twee uur
lang Aziatische figuurtjes over het scherm zien hollen die elkaar
keer na keer na bloody keer bespringen om elkaar te bewerken met
alle ledematen die ze kunnen gebruiken. Gezichten verwringen zich
in een soort van oerschreeuw, zweet spettert alle kanten op en stof
vliegt op. Maar waarom zou dat mij iets moeten kunnen schelen?

Aanvankelijk zitten er nog wel enkele geestige momenten in
‘Ong-Bak’, voornamelijk omdàt de film zo schaamteloos exploitatief
is. De makers van deze prent zijn er niet in geïnteresseerd om te
voldoen aan conventionele criteria van goeie of slechte films en
bijgevolg houden ze zich dan ook aan geen enkele spelregel zoals
die werd vastgesteld in “normale” Amerikaanse producties. Dat leidt
tot een volstrekt belachelijke, maar ook wel humoristische
openingsscène waarin de verzamelde jeugd van Tings dorpje om het
eerst in een boom dient te kruipen om een vlag prijs te maken,
waarbij ze elkaar zonder omzien in het gezicht stampen of duwen om
hun eigen kans te vergroten. Later in de film gaat Ting op bezoek
bij een oude dorpsbewoner die nu naar Bangkok verhuist is. Wanneer
hij de badkamer ingaat, roept de man hem na: “En jezelf niet
aftrekken daarbinnen, anders glijden we straks uit.” Een regel
tekst die nérgens op slaat, maar die wel geestig is. De show wordt
evenwel gestolen door de peetvader van de Bangkokse maffia, die
schijnbaar geopereerd is voor keelkanker en nu moet praten via zo’n
toestelletje waardoor je stem gaat klinken als die van een robot
uit een Disneyfilm van de jaren zeventig. De man neemt soms het
luchtpijpje dat in z’n keel zit weg, en rookt sigaretten via het
gaatje. Goor, maar leuk.

Dat soort van momenten héb je dus wel, en die komen uitsluitend
voort uit het absolute gebrek aan eerbiedigheid van de makers. Wat
kan het hen schelen of een stel benepen westerse criticasters hun
film goed vindt of niet? Dit soort prent heeft een hele subcultuur
achter zich hangen, van onvoorwaardelijke fans die maanden op
voorhand al de regio 3-versie op dvd hebben gekocht via het
internet. Daar is geen kritisch kruid tegen gewassen.

Mijn ding is ‘Ong-Bak’ in ieder geval niet – in essentie is er
niets zo saai dan twee mensen met elkaar in de clinch te zien gaan.
Een vuistgevecht is en blijft maar een vuistgevecht, draai of keer
het. Dan mag je nog zoveel ledematen gebruiken als je wilt. De
prettige campiness waarmee ‘Ong-Bak’ begint, gaat al snel
verloren in de plotloze soep van repetitieve actiescènes die je
vervolgens geserveerd krijgt. Na drie kwartier heb je er al lang
genoeg van – nóg maar eens een gevechtsscène waarmee uiteindelijk
niets opgelost raakt, nóg maar eens een spectaculaire beweging in
slow-motion. De regisseur, Prachya Pinkaew, heeft trouwens de
vervelende gewoonte om de belangrijkste stunts uit zijn actiescènes
een keer of twee drie te herhalen vanuit verschillende
camerastandpunten. Eén keer werkt dat, twee keer ook nog… Maar
daarna gaat het enkel geaffecteerd lijken, een poging om het
visueel allemaal wat interessanter te maken dan het echt is. Na
pakweg een uur zat ik me ronduit te vervelen.

‘Ong-Bak’ is niet het soort film dat ik met enige echte
autoriteit kan bespreken, dat geef ik graag toe. De prent heeft z’n
fans, die er ongetwijfeld veel meer inzien dan ik, en er heel
andere dingen mee uit naar huis nemen. Sommige mensen zien die Muay
Thai en beschouwen het als kunst. Ik zie enkel twee kerels die
elkaar de vernieling in meppen, zonder dat ik enige reden heb om
ermee in te zitten wie ze zijn en waarom ze dat doen. Als het
predikaat “voor de fans” ooit ergens geldig is geweest, dan is het
hier wel.

http://www.ongbak-lefilm.com/

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

zestien + elf =