Death Angel :: The Art of Dying

Wacht, nog eventjes in de arm knijpen. Inderdaad, metalheads, na 14
jaar doodse stilte hebben vier originele leden van Death Angel de
koppen bij elkaar gestoken om een bijzonder late opvolger in mekaar
te boksen voor ‘Act III’, een metalalbum dat zijn tijd zo ver
vooruit was dat de neefjes – ze zijn nog familie ook! – alleen maar
lijdzaam konden toezien hoe mindere goden er met de vruchten van
hun inspiratie vandoor gingen. Misschien hebben ze zich in hun
jeugdige enthousiasme laten rollen door enkele van de vele
geldwolven in de platenbiz, want ten tijde van hun overweldigende
meesterwerk was het jongste lid, drummer Andy Galeon, met zijn 14
jaar nét oud genoeg om zijn eerste Fristi te drinken. Het
verhinderde het toenmalige Bay Area-kwintet niet om door hun
verfrissende restyling van de trash metal wereldwijd lovende
recensies te oogsten, maar de respons bij het metalpubliek bleef
uit en kostte hen finaal de nek. Hoewel ‘The Art of Dying’ een meer
dan behoorlijke plaat is, durf ik er haast donder op te zeggen dat
de band ook na deze plotse reïncarnatie eenzelfde lot beschoren is.
Met uitzondering van Metallica – en zelfs dat is twijfelachtig – is
de Bay Area trash met wortel en al uitgeroeid en heeft ze
plaatsgemaakt voor minder technische, zwaardere metalvormen.
Muzikaal is er bij Death Angel evenwel niks veranderd: Rob
Cavestany drukt met zijn uit duizenden herkenbare gitaargeluid en
solo’s zijn stempel op elke song van deze plaat, Mark Osegueda –
vroeger het pijnpunt in de bezetting – lijkt eindelijk de baard in
de keel te hebben gekregen, maar rijdt toch puur op enthousiasme
het gat op de concurrentie dicht en de ritmesectie Pepa/Galeon komt
soms even swingend uit de hoek als in de goede oude tijd. Hoewel
sommige nummers misschien beter waren uitgewerkt of chirurgisch van
de plaat waren verwijderd (het zangwerk in ‘Never Me’, met Osegueda
die voor één keer zijn tienerstrot lijkt teruggevonden te hebben en
bovendien niet erg strategisch de Dave Mustaine-toer opgaat en
‘Land of Blood’, op vakkundige wijze vocaal verkracht door bassist
Gus Pepa), staat het grootste deel van de songs als een huis, de
furieuze opener ‘Thrown to the Wolves’ en het vlot dansbare
‘Famine’ op kop. Pakweg 10 jaar geleden – de Megadeth-hausse
indachtig – zou deze schijf een absolute voltreffer geweest zijn,
maar ik vrees dat dit een plaat is die slechts door een selecte
incrowd zal worden opgemerkt. Laat er in elk geval geen
twijfel over bestaan dat deze jongens beter verdienen. Véél beter.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

20 + zeventien =