Dismember :: Where Ironcrosses Grow

Gisterenmorgen, rond het onchristelijke tijdstip van twee uur: mijn
lichtjes grijzende onderbuur hangt aan de deurbel om me er
vriendelijk edoch met zekere aandrang toe aan te zetten om de
volumeknop van mijn stereo toch maar een flinke zwaai naar links te
geven. En of ik het niet beu wordt om altijd naar die ruige platen
te luisteren. Ik probeer de brave man nog te sussen met de
wetenschap dat de cd in kwestie, die al sinds de vroege vooravond
op repeat staat, het meest verse broedsel is van de
aartsvaders van de Zweedse death metal scene, maar hij is
onverbiddelijk: stiller of ik mag het gaan uitleggen aan de
wetsdienaars. Ik zweer het u: té veel naar Frans Bauer luisteren,
zoals bij mijn autoritaire voisin het geval is, kan
schadelijke gevolgen hebben.
Dismember dus. De Zweedse deathmetal locomotief houdt sinds hun
debuut ‘Like An Everflowing Stream’ (1991) met iets minder succes
maar pakken meer vastberadenheid dan “halfbroertje” Entombed Thomas
Skogsbergs moddervette Sunlight-sound van begin jaren negentig in
ere. Voor de niet-ingewijden – zoals buur Bert – betekent dat
waarschijnlijk nougabollen, maar zowat iedereen die een
dikke vijftien jaar in volle puistenperiode een schotel van rauwe
hompen vlees verkoos boven de iets fijnere charcuterie, heeft voor
deze vier Zwœden in zijn kelder allang een schrijn
opgetrokken.
Ook ruim na de 15de verjaardag van hun bestaan doet niets vermoeden
dat bruller Matti Karki en zijn gevolg er binnenkort de brui aan
geven, want ‘Where Ironcrosses Grow’ laat de band, vier jaar na
‘Hate Campaign’, op zijn progressiefst horen. Wat vooral niét
betekent dat het viertal zich op dit album vergrijpt aan bluesy
standards, dansbare ritmes of die moeilijk te definiëren rot ‘n’
roll’
van het huidige Entombed, want hoewel Dismember vooral op
productioneel gebied een reuzensprong vooruit maakt, blijft hun
sound genadeloos hard, zij het dan iets genuanceerder. De basis
blijft hetzelfde: beuken, beuken, en nog eens beuken, af en
doorbroken door een slopend mid-tempo stuk en – dat is nieuw – een
naar hun maatstaven opvallend grote dosis melodie, die vooral tot
uiting komt in het opgetrokken aantal twin solo’s, die het geluid
af en toe een flou Iron Maiden meegeven. Reken daar nog de
messcherpe productie van drummer Fred Estby bij en je krijgt een
plaat tussen de kiezen die tegelijkertijd netjes traditioneel en
gematigd “vernieuwend” klinkt en geen enkel dipje kent. Respect!

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

achttien − veertien =