Auto Focus




Paul Schrader is één van de eigenaardigste mensen in de
filmwereld: opgegroeid in een rabiaat calvinistische commune, kreeg
hij zijn eerste film pas te zien toen hij achttien was. Een sterk
gevoel van religie en de overtuiging dat er een straffende God op
ons neerkijkt, komt in meer of mindere mate naar voren in al zijn
films; het is een overtuiging die hem nooit heeft losgelaten, zelfs
niet terwijl hij zich met overgave in het wereldje van seks (véél
seks, en liefst nog kinky seks), drugs (véél drugs… gigantisch
veel drugs) en rock ‘n roll stortte, dat het Hollywood van de jaren
zeventig was. Hij schreef de scenario’s voor onder anderen Martin
Scorsese’s ‘Taxi Driver’ en ‘Raging Bull’. Later regisseerde hij
films als ‘Hardcore’, over een calvinistische man wiens dochter van
huis is weggelopen en opgedoken is in een pornofilm – de vader moet
zich nu in het wereldje van hardcore pornografie wagen om zijn
dochter te redden. Enfin, Paul Schrader is nu niet bepaald een man
met wie ik graag eens een pot zou willen gaan pakken.

Het is evenwel belangrijk om dit alles te weten als u naar zijn
nieuwste, ‘Auto Focus’, gaat kijken. Hoewel hij ditmaal
(uitzonderlijk) het scenario niet zelf schreef, is dit wel degelijk
een film die al zijn gebruikelijke thema’s bovenhaalt: een in
essentie eenzame anti-held die worstelt met de realiteit en zijn
toevlucht dan maar neemt in iets dat eigenlijk ontoelaatbaar is.
Schrader is terug thuis, jazeker, maar waar zijn personages
gewoonlijk op een diep deprimerende, soms haast ondraaglijke weg
naar de hel verzeild zijn geraakt, is er hier een duidelijke
verandering merkbaar: de hoofdpersonen van ‘Auto Focus’ zitten op
een vrolijke roetsjbaan naar emotioneel en seksueel bankroet, en
tijdens de rit gooien ze hun armen gierend omhoog. Wie heeft er
ooit gezegd dat het niet leuk kan zijn om jezelf de vernieling in
te helpen?

Greg Kinnear speelt de beste rol van zijn carrière tot nu toe
als Bob Crane, ster van de tv-sitcom ‘Hogan’s Heroes’, een beruchte
comedyreeks die zich afspeelde in een krijgsgevangenenkamp tijdens
de Tweede Wereldoorlog. Crane, ofwel Hogan himself, maakt op de set
van de serie kennis met techneut John Carpenter (néé, niet die van
‘Escape From New York’ of ‘The Thing’), een nogal twijfelachtig
personage, die er prat op gaat dat hij je de beste stereo, de beste
tv en bovenal de eerste videorecorder kan leveren.

Dat is niet alles waar Carpenter zich mee bezig houdt; hij is
ook een seksverslaafde, die elk moment dat hij niet bezig is met
zijn elektronische toestellen, doorbrengt met een onophoudelijke
jacht naar vrouwen. Crane, die zichzelf als een familieman
beschouwt die zijn vrouw nooit zou willen kwetsen, wordt door
Carpenter meegesleurd in een wereld van allesoverheersende seksuele
obsessie. En eens die deuren geopend zijn, is er voor hem geen weg
terug. Hij stort zich op seks als een ware gelovige. Na een tijdje
beginnen de twee mannen hun escapades zelfs vast te leggen op foto
en video – het is dan dat de problemen beginnen, want als cleane
komediant is het natuurlijk belangrijk dat hij zijn imago proper
houdt, iets dat steeds moeilijker wordt. Uiteindelijk werd Crane in
een hotelkamer teruggevonden, zijn hoofd ingeslagen met een
camerastatief – over een poëtisch einde gesproken.

In de film is het evenwel Crane zelf die ons het verhaal van
zijn leven vertelt, enigszins in de stijl van William Holden in
‘Sunset Boulevard’. Ook daar was het de dode die ons het verhaal
van zijn ondergang vertelde. Het is in ieder geval de beste manier
om Crane te leren kennen – een man die er oprecht van overtuigd was
dat hij geen vlieg kwaad deed, en dat de wereld hem gewoon met rust
diende te laten. Hij werkte hard, hij onderhield zijn vrouw en
kinderen… Dan mocht hij daarbuiten toch doen wat hij wilde? Of
niet soms? Die onschuldige wat-doe-ik-eigenlijk-verkeerd-toon van
de narratie is heel goed getroffen. Bob Crane was geen slecht mens,
hij was alleen enorm oppervlakkig, een man die schijnbaar voldoende
had aan zielloze, voorbijgaande gevoelens – die ervoor leefde om
klaar te komen, en voor de rest niets nodig had. De vraag is
natuurlijk hoe lang je dat kunt volhouden voor de realiteit je
levende dagdroom komt verstoren.

Paul Schrader regisseert dit verhaal verrassend lichtvoetig; hij
construeert zijn film in de stijl van de ouderwetse komedies van
vroeger, à la Billy Wilder (zie ook weer ‘Sunset Boulevard’). De
toon van de vertelstem, de komische timing van het gros van de
vroege scènes in de film… Het is dat het over een seksverslaafde
gaat, anders had dit gerust in het oeuvre van Wilder of Ernst
Lubtisch kunnen passen. Neem nu de scène waarin Crane voor het
eerst met een andere vrouw begint te rotzooien; Kinnear speelt het
als de onschuldige jongen die zich plots in een situatie bevindt
waar hij niet op gerekend had, terwijl het meisje in kwestie het
initatief neemt. De dynamiek tussen de twee acteurs is op dat
moment een genot om naar te kijken, en het is geestig op een
klassieke manier – zoals een film gemaakt in die periode geestig
zou zijn.

Carpenter wordt gespeeld door Willem Dafoe, een zeer genuanceerd
portret van iemand van wie we pas laat beseffen dat hij eigenlijk
een enorme loser is. Hij lijkt het allemaal mooi voor elkaar te
hebben, als verkoper van “VTR’s” aan Elvis, en met de veroveringen
die continu aan zijn armen hangen, maar later in de film zien we
die facade steeds verder afbrokkelen, tot we zien wat erachter zit.
Een nogal zielige man, die wanhopig naar bevestiging en respect
zoekt. Dafoe speelt het perfect.

Dat is het goeie nieuws. Het slechte nieuws is dat Schrader dit
alles zeker een kwartier te lang laat voortduren. De overbodige
ballast zit ditmaal niet eens aan het einde van de film, maar
ergens in het midden. Na ongeveer een uur wéét je onderhand wel hoe
verslaafd Crane is geworden, we hebben hem al zo vaak tenmidden van
zijn honderden tapes zien zitten, dat je het gevoel krijgt dat de
rest enkel overbodige herhaling is. Schrader neemt de teugels van
zijn verhaal weer stevig in handen door tijdens het laatste half
uurtje over te schakelen naar de ware ondergang van Crane. Het
begint met een hilarisch genant optreden in een nogal dom
kookprogramma op tv, u kunt er echt niet naastkijken. Plots worden
de kleuren ietwat bleker, de camera wordt minder gecontroleerd,
naarmate het leven van het hoofdpersonage ook alle controle te
buiten gaat. Niemand wil nog met hem werken, voor het eerst kan hij
niet meer die harde werker zijn die altijd zijn alibi was voor wat
hij na zijn uren deed. We zien de wanhoop in zijn gezicht kruipen,
naarmate het tragische einde onvermijdelijk wordt.

‘Auto Focus’ heeft ook te lijden onder vergelijkingen met
‘Boogie Nights’, PT Andersons epos
over de porno-industrie van de jaren zeventig. In wezen slaat dat
nergens op, aangezien deze film over de andere kant van het
spectrum gaat: de consument met de plakkerige handjes. Maar je
kijkt naar de film en je kunt het toch niet helpen te denken dat
‘Boogie Nights’ je emotioneel veel
méér deed. Die film stuurde je de straat op met een ietwat
uitgeput, maar volkomen voldaan gevoel: je had grootse cinema
gezien. Dat doet ‘Auto Focus’ niet; je bent blij dat je hem gezien
hebt, en je weet dat dit heel wat beter was dan wat je gewoonlijk
in de multiplex geserveerd krijgt, maar toch blijft er zo’n
nét-niet-gevoel hangen. Jammer.

http://www.sonyclassics.com/autofocus/

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

vier + 16 =