Fight Club


Eén van de paradoxen waaruit filmrecensenten zijn opgetrokken,
is de deze: ze zijn continu aan het janken voor intelligente films,
films die het publiek nog eens een flinke kluif geven om op te
knabbelen, maar wat ze er eigenlijk mee bedoelen, is dat ze een
film te zien willen krijgen die net zo slim is als zij. En absoluut
niet slimmer. Want als we merken dat een regisseur of schrijver ons
te slim af is geweest, dat men met onze voeten heeft zitten spelen
zonder dat we dat doorhadden, dan keren we ons van de film af, we
gaan hem doodmeppen over irrelevante zaken.

Dat is precies wat er gebeurde met ‘Fight Club’, een film die de
zeitgeist als geen ander wist te treffen, en die het niet in dank
werd afgenomen.

De naamloze verteller, laten we hem voor het gemak Jack noemen,
lijdt aan slapeloosheid – een eeuwige onrust heeft zich van hem
meester gemaakt, en wanneer zelfs de catalogussen van Ikea geen
redding meer brengen, en de zelfhulpgroepen waar hij zich ging
uitleven in de pijn van anderen geen aantrekkingskracht meer op hem
kunnen uitoefenen, ontmoet hij Tyler Durden. Tyler maakt en
verkoopt zeep, en houdt er een heel eigen filosofie op na: we gaan
allemaal toch naar de kloten, dus zorg dat je als eerste aan de
eindstreep bent. Verniel je lichaam, gooi alle regels overboord.
Jack beschouwt hem als zijn messias. De twee mannen richten fight
club op, waar gestresste zakenmannen en eeuwige losers elkaar in
puin gaan slaan en voor het eerst in god weet hoe lang nog eens
iets voelen.

De kritiek die er op de film kwam, was voornamelijk geïnspireerd
door het bedrog dat op het publiek wordt gepleegd: gedurende de
eerste helft van de film komt Tyler Durden op ons als een bevrijder
over: hij haalt Jack uit zijn depressie, geeft hem opnieuw een
reden om te leven, en doet dat op een manier die in de film
vertaald wordt in een vaak onweerstaanbaar intelligente en
redelijke stem vol cynische humor. Als publiek van de laat
twintigste, vroeg eenentwintigste eeuw begrijpen we immers perfect
waar het over gaat: het gevoel van overdosis dat je krijgt als je
maar genoeg cola drinkt, soaps kijkt, pizza’s eet en in
winkelcentra rondloopt. Het gevoel dat we in een
wegwerpmaatschappij leven, waar niets permanente waarde heeft, en
alles maar bruikbaar is voor zolang het ons genoegen verschaft. Het
is vanuit die emoties, die zowat niemand vreemd zullen zijn, dat
Jack Tyler Durden aangrijpt, we willen in zijn filosofie geloven,
en wanneer Jack en Tyler iets uithalen dat niet mag – een enkel
beeldje pornografie tussen ‘Assepoester’ stoppen, bijvoorbeeld –
dan juichen we hen innerlijk toe.

Dat is de eerste helft van de film: het bedrog komt er als in de
tweede helft de toon van de film plots verandert, en de ware,
fascistoïde aard van Tyler Durden bovenkomt – we hebben, net als
Jack, in Tyler geloofd, en nu plots blijkt dat we met een terrorist
te maken hebben, iemand die onvoorwaardelijke, gedachtenloze en
uiteindelijk zelfs naamloze gehoorzaamheid verwacht van zijn
volgelingen. De gevaarlijke aantrekkingskracht van het fascisme is
niet alleen gedemonstreerd aan de personages, maar ook aan het
publiek zelf. Wij gingen een uur lang mee in alles wat Tyler deed,
en nu plots bleek dat allemaal louter destructief te zijn geweest,
louter bedoelt om een soortement personencultus op te zetten.

Dat was wat veel mensen de film kwalijk namen: we werden in de
maling genomen, de film was slimmer dan wij, en dat hebben we niet
graag. Dus gaan we het de makers kwalijk nemen dat Tyler een
Hitlerachtig personage is, dat het allemaal te gewelddadig is en
dat het niet deugt wat er in de film gebeurt. Wel, dan heb ik
nieuws voor jullie: daar gaat het dus juist om. Ik kan me
voorstellen dat mensen die dat soort kritieken maken, dezelfden
zijn die enkele jaren terug ‘Trainspotting’ afschilderden als een
reclamespot voor drugs – het is nu eenmaal makkelijker om te
veroordelen dan om na te denken.

‘Fight Club’ is regisseur David Fincher’s tweede samenwerking
met Brad Pitt, na ‘Seven’, en
opnieuw weet hij een visuele wereld te creëren die sterk lijkt op
de onze, maar er toch nog enkele centimeters van afstaat – in
‘Seven’ kregen we een wereld van
regen, troosteloze, afbrokkelende gebouwen en de gedoemde zielen
die erin rondwaarden. Het was een microcosmos van pijn; niet
bepaald opbeurende cinema, maar wel uniek. In deze film doet
Fincher iets gelijkaardigs: opnieuw krijgen we een landschap te
zien dat we menen te herkennen, maar dat toch niet helemaal uit de
werkelijkheid gegrepen kan zijn, en dat we ook nog nooit in een
andere film gezien hebben. Ook hier zijn gebouwen smerig en de
mensen gedoemd, maar ‘Fight Club’ toont die wereld in contrast met
die andere, door Ikea geïnspireerde wereld, en stelt dan de zeer
valabele vraag: is er niet meer dan dat? Eens uitgewezen is dat de
filosofie van Tyler ook niet deugt, wat doen we dan? Terugkeren
naar Ikea? Dat is al even erg, natuurlijk.

Brad Pitt is prima in de film, maar het is Edward Norton, als de
pathetische Jack, die het meeste indruk maakt: in een levensloze
monotoon leidt hij ons via de voice-over door de film, maakt
cynische opmerkingen en slaagt erin om een personage neer te zetten
dat volkomen geloofwaardig is.

‘Fight Club’ is cinema met een heel eigen stem, die satire en
cynisme op een nieuw niveau heft en er heel zinnige dingen mee weet
te zeggen. Oké, de tweede helft valt dan wel wat zwaar uit, maar
wat geeft het? Zelden zult u zo zwaar discussiërend uit een film
komen als uit deze. En dat is absoluut een positieve
eigenschap.

http://www.foxmovies.com/fightclub/

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

elf − elf =