2001 :: A Space Odyssey


‘2001’ is geen gemakkelijke film om over te praten. Het was één van de eerste recensies die ik ooit heb geschreven, en als ik hem nu herlees, zie ik er weinig meer in dan een mislukte poging om aan anderen duidelijk te maken waarom ik die film zo goed vond. Wat het was dat me fascineert aan die film, ook al is die dan moeilijk en ontoegankelijk en ook al gaat die dan nog zo langzaam. Een belangrijke vraag is hoeveel je mag zitten ontleden in zo’n recensie. Net als iedereen heb ik m’n eigen interpretatie van wat er gebeurt in de film, maar als er ooit een prent was die openstaat voor andere ideeën, dan is het deze wel. Enfin, één en al glad ijs, deze film.

Het valt niet te ontkennen dat Kubrick de regels van de moderne cinema verlegde met ‘2001’: op een technologisch vlak is dit vrijwel perfect. De special effects zijn nog altijd geloofwaardig, wat een ongelooflijke prestatie is voor een film die in 1968 werd gemaakt, een jaar voor er een mens op de maan wandelde. Kubrick vond eigenhandig nieuwe technieken uit om zijn visie naar het scherm te brengen – front projection in plaats van back projection, waarmee hij in staat was om in een studio in Engeland een volkomen geloofwaardige Afrikaanse steppe te creëren. Een gigantisch, roterend rad met middenin een split waar het statief van de camera doorheen kon, om de indruk van het wielvormige moederschip te geven, waarin één van de personages eindeloze rondjes loopt. De geheugenkamer van het schip, waarin zich de intelligentie van moordende computer HAL bevindt – in de film een zeer nauwe, horizontale ruimte waar het hoofdpersonage op z’n buik half doorkruipt en -zweeft, maar in realiteit een constructie die helemaal verticaal werd gebouwd, de hoogte in. ‘2001’ heeft wellicht meer technologische innovaties geïntroduceerd dan eender welke andere individuele film in de geschiedenis. De naden van die technieken zijn nog steeds niet of nauwelijks waarneembaar, ondanks alle vernieuwingen die er sindsdien hebben plaatsgevonden, inclusief computergegenereerde beelden, dradenwerk waardoor acteurs schijnbaar moeiteloos de zwaartekracht kunnen overwinnen en al de rest.

Dat is het technologische aspect – maar nog interessanter is wellicht de manier waarop Kubrick de traditionele verhaalstructuur definitief vaarwel zegt. ‘2001’ is zeer nadrukkelijk in drie hoofdstukken gedeeld. Het eerste speelt zich af in de oertijd – twee stammen van mensapen bevechten elkaar om een plasje water. Aanvankelijk zien we dat geen van beide stammen echt weten hoe ze dat moeten doen: ze krijsen naar elkaar, zwaaien met hun armen, maar echt geweld komt er niet van. Tot één van hen, schijnbaar geheel per toeval, ontdekt hoe hij een bot kan gebruiken om schade toe te brengen, om te vernietigen. Nu wordt het duidelijk hoe ze de rivaliserende stam kunnen verjagen van het water: door hen te slaan, door geweld te gebruiken. Bovendien ontstaat op die manier ook de jacht – de mensapen doden met hun pas verworven behendigheid een dier et voilà, ze moeten niet meer op zoek naar voedsel. De mensaap ontdekt het geweld en het voordeel dat geweld hem kan opleveren, en met die evolutie is hij mens geworden.

Deel twee is het enige dat een min of meer normaal verhaal bevat: er wordt een monoliet ontdekt op de maan, een gigantische rechthoekige figuur waar een vreemd soort van vibratie van uitstraalt, richting Jupiter. Astronauten Dave Bowman en Frank Poole worden erop uitgestuurd om te kijken wat er zich op Jupiter bevindt – nog zo’n monoliet, misschien? Hun missie wordt begeleid door de intelligente computer HAL, die spreekt met de stem van Douglas Rain. Steeds kalm, berekend, rationeel. HAL gaat er prat op dat hij niet in staat is tot het maken van fouten – uiteindelijk is hij geen mens – maar hij maakt er wél een. En om die schande bedekt te houden, besluit hij de astronauten te vermoorden. Dave weet HAL uiteindelijk uit te schakelen, en is op die manier klaar om over te gaan naar deel drie van de film, een spirituele reis door tijd en ruimte, die wordt weergegeven door een bijna twintig minuten durende sequens van lichtconfiguraties, in negatief gefilmde landschappen en steeds een eigenaardige, kippevel inducerende muziek op de soundtrack. Dave komt terecht in een helder witte kamer met ouderwetse meubelen, waar hij zichzelf ziet als oude man – we zien een laatste monoliet op het moment dat Dave sterft, stokoud nu, waarna hij herboren wordt als een gigantische foetus in de ruimte. Het sterrenkind, één met het universum.

En eens we dat allemaal voor de kiezen hebben gekregen, mag de kijker erachter zien te komen wat dit allemaal in godsnaam te betekenen had. Dit was geen plot die van punt a naar punt b ging – wat had de proloog in de oertijd te maken met de rest van de film? Waarom trapte HAL eigenlijk door? En waar sloeg heel dat einde op?

Mensen hebben tot in het oneindige theorieën over de film gevormd – het internet alleen biedt een prachtige keur aan meningen, waaronder bijvoorbeeld een religieuze interpretatie die zegt dat de film de opperste waarheid van Krishna bevestigt (wat mij weinig waarschijnlijk lijkt, aangezien zowel Kubrick als schrijver Arthur C. Clarke voor zover bekend nooit met de Hare Krishna in contact zijn gekomen). Dat is wellicht één van de mooiste dingen die een film ooit kan hopen te bereiken: dat men er 35 jaar later nog steeds niet achter is wat je nu precies wilde zeggen, dat er nog steeds over gediscussieerd wordt, dat het nog steeds een levend onderwerp is.

Mij lijkt het in ieder geval dat Kubrick een blik wilde bieden op de evolutie van de mens. De mensaap leert het geweld en wordt mens. Die evolutie wordt aangegeven door een monoliet die plots verschijnt en even later alweer verdwenen is. Wat is de functie van die monoliet? Niemand die het zeker weet, maar telkens we hem zien in de film, wordt er wel een grens overschreden naar een volgende stap in de evolutie. Eens de mens helemaal zichzelf is geworden en aan het hoogtepunt van z’n technologisch vernuft staat, staat er hem nog maar één ding te doen: zijn eigen technische snufjes overwinnen. De eerste evolutionaire stap van de mens was het ontdekken en gebruiken van werktuigen, van technologie. Eens hij dat kan, is de tweede stap te leren hoe hij die technologie kan uitschakelen – want als we dat niet kunnen, neemt die technologie ons over, vernietigt hij ons zoals HAL de astronauten tracht te vernietigen. Opnieuw zien we een monoliet – de mens is klaar om weer een stapje verder te zetten. En wat we dan krijgen, is de dood van de mens zoals wij hem kennen en zijn wedergeboorte als iets anders – een sterrenkind dat volledig één is met de ruimte.

Veel mensen vinden ‘2001’ een onmenselijke film – letterlijk. Koud, klinisch, afstandelijk, nihilistisch. En inderdaad, de acteurs lopen er allemaal bijzonder onderkoeld bij, enige emotie wordt er niet getoond. ‘2001’ is bij uitstek een film over ideeën, niet over emoties. Een film over de mensheid, in plaats van over individuele mensen. Maar het beeld dat eruit tevoorschijn komt, is wel degelijk hoopvol: de mensheid kàn evolueren naar iets anders, iets beters, iets harmonieuzer dan wat we nu zijn, we hébben die mogelijkheid.

Visueel en inhoudelijk is ‘2001’ nog steeds één van de meest vooruitstrevende films in de geschiedenis van de cinema. Bij een eerste visie gaat het soms tergend traag, is de film soms waanzinnig moeilijk toegankelijk. Dit is iets dat je minstens drie, vier keer moet zien om echt te vatten. Tegenwoordig is het verloren moeite om die inspanning te vragen van een modern publiek. Maar wie de wens om alles van de eerste keer volledig te snappen kan laten varen, wie een open geest kan bewaren en de ervaring op zichzelf kan nemen, krijgt er ook enorm veel voor terug. Als er één film is waardoor Kubrick z’n reputatie als geniaal filmmaker verdiend heeft, dan is het deze.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

twee + veertien =