Stanley Kubrick, Photographer

Kubricks kwantitatief eerder beperkte (tussen zijn eerste meesterwerk Paths Of Glory (1957) en Eyes Wide Shut (1999) zitten er amper acht films), maar kwalitatief fenomenale filmnalatenschap kent haast geen gelijke in de filmgeschiedenis. Of je moet al beginnen over Hitchcock. Het belang van zijn leerschool als reportagefotograaf in de tweede helft van de jaren veertig kan, gezien een levenslange obsessie voor detail, belichting en zorgvuldig uitgedokterde beeldvoering, amper onderschat worden. In de Koninklijke Musea voor Schone Kunsten kan je nog tot 1 juli terecht om die kroniek van een aangekondigde filmrevolutie te gaan bekijken.

En het gaat ver, die verbondenheid tussen de fotografie en films van Stanley Kubrick (1928-1999). Zijn eerste kortfilm Day of The Fight (1951) was eigenlijk al een variant op zijn fotoreportage ‘A Day In The Life Of The Boxing Champion Walter Cartier’, waarvoor hij een dag in het zog van Cartier meevolgde, maar veel van de latere obsessies van de regisseur, zowel vormelijk als qua thematiek, traden al op de voorgrond in de foto’s die hij als tiener en jonge twintiger maakte. Hij had de schoolbanken amper achter zich gelaten, of hij werd al ingelijfd bij Look, waarbij hij tot 1950 zo’n slordige 900 foto’s zou publiceren.

Aanvankelijk wordt de jonge artiest vooral begeesterd door het bruisende en chaotische stadsleven, waarbij hij zowel oog heeft voor het nachtleven, uitgedrukt in talloze foto’s van uitbundige feestjes en jazzconcerten in nachtclubs, als voor de stad als architecturaal kluwen en culturele smeltkroes, waar ook donkere steegjes, armoede en geweld deel van uitmaken. Onvermijdelijke invloed is daarbij die van misdaadfotograaf Weegee, al ging Kubrick nooit zo ver in zijn exploitatie. Net zoals hij documentairefotograaf Walker Evans, een andere invloed, nooit helemaal volgde in zijn confronterende portretten van naar armoede verbannen gezinnen. Het lijkt soms wel alsof Kubrick de nalatenschap van Evans en Weegee verwerkt, maar zelf al de fascinaties van een Robert Frank (The Americans) aankondigde, en misschien wel een sociale bewogenheid, die ook heel sterk tot uiting kwam in het werk van leeftijdsgenoot Garry Winogrand.

Kubrick trok als snotneus al volop foto’s in metrostellen en -stations en vaak ging hij daarbij in het geniep tewerk, de camera bungelend rond de hals maar de ontspanner klaar in zijn mouw. Dat stelde hem in staat om onopvallend te werken aan een reeks spontane foto’s van soms triviale beelden (voeten, over elkaar geslagen benen, vrijende koppeltjes, opengeslagen kranten, indommelende forenzen) die niettemin een enorme geladenheid konden krijgen. Zelfs in het geval van sommige onscherpe foto’s spreekt vaak een opmerkelijke intensiteit uit de starende blikken en poses die hij kon vastleggen.

De beslissing om als fotograaf vooral te registreren (iets dat regelmatig ook gefingeerd was), sloot aan bij een van de centrale thema’s van zijn werk — voyeurisme –, dat hij tot zijn laatste afgewerkte film, Eyes Wide Shut, bleef herwerken. Hier wordt het niet enkel mooi geduid door de metrofoto’s, maar ook door een reportage die hij maakte in een tandartskabinet of een reeks foto’s in de zoo, waarbij hij vaak het perspectief van de dieren (troebel op de voorgrond) gebruikt om de blik van ongedurige kijklustigen te kunnen vastleggen. Het eindeloze spel van kijken en bekeken worden, nog eens aangedikt door een levenslange fetisj van spiegeleffecten.

Ook als portretfotograaf, doorgaans een duidelijker omlijnde stiel, maakte Kubrick meer dan aardig werk. Vooral een reeks foto’s over (in het geheim homoseksuele) tieneridool Montgomery Clift is daar dubbelzinnig, inspelend op het publieke imago van de ster door zowel quasi-ontspannen (op het balkon, een mok in de hand) als baldadige (naast het bed met een fles wijn aan de lippen) beelden een aura van authenticiteit te geven. Een reportage van de toen rijzende ster Betty von Fürstenberg is dan weer minder geslaagd (of net wel?): uit haar foto’s spreekt bovenal een rollenspel vol overbelichting, glimlachen die verworden tot geforceerde grimassen en al te artificiële poses. Elders vind je ook sprekende portretten van rokende dromers, soms met aanstekelijk optimisme in de ogen. Een enkele keer, bij een bezoek aan een circus en de nodige freaks, duikt zelfs even de vergelijking met Diane Arbus op.

De aandacht voor het sociale landschap mist de visie die later creatief zou pieken in het werk van Lee Friedlander en het relatieve gebrek aan samenhang in Kubricks werk ontzegt hem ook de eenduidigheid die je vindt in het werk van Weegee, Frank en Evans. Nu en dan krijg je wel uitzonderlijke momenten, zoals de bijzonder geslaagde reeks over bokser Rocky Graziano, die Kubrick ook mocht volgen tijdens de meest intieme momenten: bij zijn gezin, tijdens de voorbereiding op een wedstrijd en zelfs onder de douche. De bekende foto waarbij Graziano vanonder de sproeikop naar de lens staart is misschien wel Kubricks ‘exquisite moment’: een flits van ontwapenende intimiteit én tegelijkertijd een sensueel, haast lijfelijk machismo.

Kubrick beweerde ooit dat je om filmmaker te worden eigenlijk gewoon een goed fotograaf moest zijn. Of zijn talent als jonge fotograaf voldoende was om tot zo’n cineast uit te groeien, valt moeilijk te bepalen, maar de tentoonstelling bewijst alleszins dat er voor Kubrick gerust ook een ander parcours in had kunnen zitten. Het overzicht mist misschien de samenhang en hyperindividuele stempel van de allergrootsten, maar het maakt zijn tweede carrière er alleen maar fascinerender op.

Stanley Kubrick, Photographer loopt nog t.e.m. 1 juli in de Koninklijke Musea voor Schone Kunsten in Brussel.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

12 + zestien =