Flip Kowlier :: ”Alles komt neer op de song”

“Ne welhemeende fuck you”, daarmee vestigde Flip Kowlier onmiddellijk zijn naam bij de vijftienjarigen onder ons. Het is eens wat anders dan “Vetzak” en daarbij: het moet ook niet altijd Antwaarps zijn.

Kowlier is een man van vele muziekjes. In Vlaanderen werd hij wereldberoemd als rapper Levrancier van ’t Hof van Commerce, maar hij was al een plaatselijke held in het regionaal zeer gesmaakte cross-over gezelschap Prophets of Finance. Toen “t Hof na een veel te serieuze tweede plaat naar adem lag te happen, dook hij plots op aan de zijde van Jan Leyers als bassist van diens nieuwe groep My Velma. Een meisje duwde hem twee jaar geleden nietsvermoedend een akoestische gitaar in handen en zie: de solo-hiphop-plaat waarvoor Filip Cauwelier de studio was ingetrokken, bleek plotseling iets totaal anders.

Ocharme ik is het resultaat van die onverhoopte aanvaring met een akoestisch instrumentarium en mag zeker gehoord worden. Twijfelend tussen folk, kleinkunst en Nirvana geeft Kowlier zijn hoogstpersoonlijke definitie van kleinkunst voor de eenentwintigste eeuw. Zelf is hij daar niet van overtuigd: “Kleinkunst doet mij denken aan muziek uit de jaren zestig en zeventig, terwijl ik wel het gevoel heb dat mijn plaat uit 2001 stamt. Er staan wel veel dingen op die behoorlijk intiem zijn, met veel akoestische instrumenten, maar ik heb niet speciaal voeling met dat genre.”

“Het was eerder de bedoeling een popplaat te maken die warm en eerlijk zou klinken. Ik was niet echt naar andere artiesten aan het luisteren toen ik aan de opnames bezig was. Productioneel en qua klank had ik wel de eerste plaat van G Love & The Special Sauce in mijn hoofd omdat die echt klinkt alsof de groep naast je staat te spelen. Dat wou ik ook bereiken: dat het erg live klinkt. Mijn invloeden zijn eigenlijk erg divers: popmuziek, wat ik op de radio hoor. En dan vooral eighties-pop want daar ben ik mee opgegroeid.”

“Over het feit dat ik in het West-Vlaams zing, is ondertussen ook al genoeg gezegd en geschreven. Of ik niet bang ben dat het een gimmick zal worden? Ik denk dat het dat in het begin meer was dan nu. Ondertussen weten de mensen wel dat ik in het West-Vlaams zing. Voor sommige mensen is het zeker een gimmick: het is kluchtig en daarom is het interessant. Voor mij is het echter eenvoudig: ik maak muziek in de taal die ik spreek. Het is gewoon natuurlijk voor mij. Ik ga daar geen speciale nadruk op leggen want voor mij is dat niet het belangrijkste. De mensen zullen er hoe dan ook wel aan wennen want ik ga nog meer platen maken.”

“Natuurlijk begrijpt niet iedereen daardoor wat ik wil vertellen, maar dat is iets wat ik van in het begin al wist. Ik heb me daar nooit iets van aangetrokken en ga dat ook in de toekomst niet doen. Het is aangenaam als mensen verstaan wat ik doe, maar ook dat is niet het belangrijkste. Vooral omdat ik in de eerste plaats muziek maak voor mijzelf. Ik wil er eigenlijk geen rekening mee houden dat ze mij niet altijd verstaan en er mij zeker niet druk in maken. Uiteindelijk verkoopt Manu Chao nu ook erg goed en ik zou wel eens willen weten of er veel mensen begrijpen wat die zingt. Het gaat meer om een partysfeer die hij oproept. Ik kan mij voorstellen dat sommige mensen in mijn plaat wel een sombere sfeer horen. Dat is universeel denk ik.”

“De songs op de plaat schreef ik over een periode van een jaar. Ik schrijf altijd per drie liedjes: twee maanden lang vind ik niets en plots zijn er drie ideeën. Daar werk ik dan op, maar het grootste deel van een nummer moet toch onmiddellijk komen. Een goed nummer schrijft zichzelf. Ik ga het ook nooit ver zoeken: ik heb alle nummers op gitaar geschreven. Niet zozeer de melodieën: een akkoord kan volstaan. Dan hoor ik het volledige nummer in mijn hoofd. Daarna komt er een redelijk concrete tekst en daar werk je mee. Nu zit ik ook met zeer veel ideeën, maar nog weinig uitgewerkte nummers. Het is fijn om wat met die ideeën te spelen.”

“De nummers waren dus al behoorlijk concreet toen ik de studio introk. Natuurlijk veranderden de arrangementen wel: keyboards, mandolines, lapsteel. Die waren er in het begin niet bij, maar dragen wel bij tot het geheel en de sfeer van de plaat. Volgens mij ligt het al dan niet aanslaan van een plaat echter niet aan welke mandoline je gebruikt. Alles komt neer op de songs.”

“Over mijn producer, Wouter Van Belle, doen de gekste verhalen de ronde. Ik heb hem helemaal anders leren kennen. Toen ik een demo had opgenomen gaf ik die aan Luc van Kinky Star (platenlabel van ’t Hof Van Commerce, mvs) met de boodschap dat ik wel eens iets wou doen met een groter budget. Kinky Star had dat niet ter beschikking, maar Luc wou mij helpen met zoeken. We hebben die cassette vervolgens rondgestuurd, onder anderen naar Wouter Van Belle, die mij even later opbelde. Hij vond de demo goed en wou eens afspreken.”

“Ik wist eerlijk gezegd niet goed wie hij was en ben wat gaan rondvragen. Heel wat mensen wisten mij te vertellen dat hij een hele straffe producer is, maar ook een heel moeilijke mens. Ik kreeg dus wat schrik, al zei iedereen ook wel dat hij enorm goed is. Hij heeft mij toch een aantal keren moeten terugbellen voor ik op zijn aanbod inging. We hebben dan eens afgesproken en dat viel erg goed mee. Ik had direct wel door welk soort mens hij is. Eigenlijk is het een heel lieve mens. Ik heb nooit ruzie met hem gehad en we hebben toch lang samengewerkt. Natuurlijk hadden we wel eens meningsverschillen, maar dat is normaal en ook nodig. Peter Obbels, de engineer en co-producer, wist mij achteraf te vertellen dat hij nog nooit iemand zo met Wouter had zien omgaan als ik. Wouter kan je erg intimideren vanuit zijn positie als producer. Ik liet me echter niet vlug inpakken als ik niet akkoord ging. Blijkbaar doen niet veel mensen dat. Het voordeel was dat we direct wisten wat we aan elkaar hadden.”

Dat Kowlier niet vasthangt aan één instrument blijkt als je zijn curriculum overschouwt: van percussie bij de Koninklijke Stadsfanfare en toetsen bij Starfish ging het naar bas bij Prophets of Finance. Het lijkt alsof het muzikant-zijn zelf voor hem belangrijker is dan met welk instrument dat precies gebeurt. Kowlier is het daar niet helemaal mee eens: “Die instrumenten zijn voor mij wel heel belangrijk hoor. Die zijn bijna het belangrijkste in mijn leven, dus dat zie je wel fout. Ik ben geen virtuoos, maar het is wel heel gemeend. Muziek is iets waarin ik mij volledig kan verliezen. Ik zie een sampler bijvoorbeeld ook als een instrument. Alleen is dat niet zo gemakkelijk: een gitaar kun je overal meenemen.”

“Ook bij ’t Hof — en dat is iets wat de meeste mensen vergeten — stond ik volledig in voor de muziek. DJ4T4 is er veel later bijgekomen, de eerste plaat heb ik bijna volledig zelf gemaakt. De teksten waren fifty/fifty verdeeld, de muziek was bijna volledig van mij alleen. Van de tweede plaat heb ik toch twee derde van de beats gemaakt. Maar je hebt ergens ook gelijk: ik ben niet verknocht aan één instrument. Ik wil niet de beste gitarist van de wereld zijn.”

Het markantste aan heel de periode met ’t Hof van Commerce was natuurlijk de rel tussen de fans van ABN en hun eigen fans. Hoe ervaarde hij die? “Daar zijn we nooit mee bezig geweest. Ik heb Quinte na zijn eerste interview in Humo die dinsdag zelf gebeld. Hij bekende dat het interview nogal fel klonk, maar als je nog niet gewoon bent interviews te doen zeg je soms dingen tussen neus en lippen door die de journalist later uitvergroot. Ik heb dat ook al ondervonden, dus ik begreep dat wel. Het was dus bijgelegd nog voor het iets was. We zijn nooit echt goeie vrienden geworden, maar we hebben respect voor elkaars werk. We vonden het uiteindelijk wel grappig.”

De fans hadden de handschoen echter wel opgeraapt in Humo. Wekenlang woedde er een woeste strijd in “Uitlaat” tussen voor- en tegenstanders. Het leidde zelfs tot de ver-West-Vlaamsing van het woord drive-by shooting tot een voorbierieschieterie. “Het was natuurlijk de Vlaamse hiphop-scene die zijn eigen East Coast-West Coast tegenstelling moest hebben. In Brussel zie je dat ook: daar zijn veel hiphopgroepen met hun eigen posses, die de naam hebben erg stoere mannen te zijn. Als je die mensen dan tegenkomt, merk je echter dat diegenen die er creatief mee bezig zijn, erg ok gasten zijn. Het zijn de mensen die er rond hangen die heel anders zijn. Dat heb je altijd en deze vete was ook zo. Maar ik vond het wel grappig dat we zoiets teweeg konden brengen. Quinte mailde mij uiteindelijk met de vraag wat we gingen doen om het te stoppen. Ik stelde voor samen een brief te schrijven, maar diezelfde week had Humo al besloten om de discussie te sluiten. Er waren wel dingen bij die mij raakten. Maar uiteindelijk gaat er mij geen vijftien- of zestienjarige vertellen wie ik al dan niet ben.”

 

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

zeventien − tien =