The Cure :: 12 november 2016, Sportpaleis

Geen nieuwe plaat. Hoogstens twee nieuwe nummers. Wel: zeventien klassiekers en meer dan twee handvol songs die daar niet voor moeten onderdoen. The Cure bewees zaterdagavond in Het Sportpaleis puur op songcatalogus nog maar eens ver boven het gewoel uit te stijgen. Zelfs al had de geluidsmix besloten het feestje te vergallen.

Goed een jaar op voorhand was dit concert van The Cure al uitverkocht. Je kunt er om fronsen, maar het duurt geen vijf nummers voor je het begrijpt. Elk nummer schiet een ander legertje camera’s omhoog, filmen mensen ‘hun’ nummer. Op deze songs hebben ze liefgehad, gelachen, getreurd, gelééfd. En elk heeft uit die vele platen zijn eigen Cure, zijn eigen tint zwart gedistilleerd. Zo’n band is dit geworden; een groep van het volk, groter dan zijn eigen platen.

En net als The Rolling Stones leven Robert Smith en de zijnen al lang op een eigen tempo. Getourd wordt er als er zin is, een nieuwe plaat mag gerust acht jaar op zich laten wachten. Of wordt het zelfs meer? 4:13 Dream dateert alweer van 2008, en een nieuwe is vooralsnog nog niet aangekondigd. Maar hier staat The Cure vanavond, vier jaar na hun laatste Belgische passage op Rock Werchter 2012.

Waar waren we dus gebleven? Bij een band die maar wat graag de hits uitrolt, maar ook moeite genoeg doet om elke avond een andere setlist af te leveren. Of dat mee- of tegenvalt, hangt van uw standpunt af. De ene zijn topplaat is de ander zijn schouderophalen. Vanavond wil dat zeggen: u houdt maar beter van The Head On The Door (vier songs) of deep cut als “Never Enough” uit het remixalbum Mixed Up.

Deze keer niet dat orkestraal openingsbombardement van “Plain Song”, dus. Dat hebben we al een keer te veel gehad. The Cure vliegt er in Het Sportpaleis stevig in met een loeihard “Shake Dog Shake”. De band doet wat hij kan, maar het is huilen met de pet op in een zaal waarin alles bas-soep wordt. Het helpt ook niet dat Robert Smith vocaal ook wankel blijkt te staan. Natuurlijk: hij was nooit de beste zanger, maar vanavond klinkt het bij momenten erg erbarmelijk. “Moeilijk nummer om te zingen”, zucht hij veel later over “All I Want”. Klopt, en vandaag lukte dat niet helemaal. Iéts te vaak horen we hoe hij een zanglijn aanpast om toch maar niet de hoge noten van vroeger te halen, wordt het metrum plots hopeloos warrig gemompel; snel alle woorden toch maar gezongen krijgen.

Dat gevecht met de geluidsmixer is nog meer te betreuren omdat je desondanks wel te horen krijgt hoe goed deze band wél is. De langgerekte intro van “Push” toont hoe de band op zijn beste momenten altijd melodieën had die zelfs zonder zang werkten. “In Between Days”: meer van hetzelfde. Trieste euforie in cadeauverpakking; The Cure zal altijd in grijstinten grossieren, maar een kleuraccent mag. De speelse funk van “Hot! Hot! Hot”, het dartele zelfmoordpact van “The Lovecats” — ontsierd door onnodig jazzy pianotierlantijnen van Roger O’Donnell — ze maken ook deel uit van het kleurenpalet, net als het vrolijke popnummer “Friday I’m In Love”. Maar dan is er ook weer “Pictures Of You”, vruchteloos hunkeren dat nooit beter op muziek werd gezet.

Deze tour is een genereuze, waarin Smith vooral die hards wil bedanken met speciallekes. Op zijn akoestische gitaar brengt hij zo “Jupiter Crash” uit het verguisde Wild Mood Swings, ook “Burn” van op de soundtrack van The Crow mag aan bod. Moét dat? Zoals gezegd is dat in the eye of the beholder, maar je kunt er niet omheen dat het pas laat in de reguliere set is, wanneer “Lovesong” en “Just Like Heaven” het geluid zijn van een vat hits dat wordt aangesloten, dat het publiek eindelijk wat animositeit toont. Wat krijgen ze als beloning? De pikzwarte doem van “One Hundred Years” — u brult aandoenlijk die openingszin “It doesn’t matter if we all die” mee — die stemmig van zwarte beelden wordt voorzien: kapotgeschoten steden, ruïnes, een atoomwolkje ten afscheid, u kent het wel.

Komt er een nieuwe plaat? Er zijn alvast twee nieuwe songs. “It Can Never Be The Same” wordt opgedragen aan Leonard Cohen, maar maakt verder weinig indruk. Het is de langzaam uitdovende kaars op de achtergrond die de show steelt. Maar zo gaat dat bij The Cure: een écht boeiende liveband is dit niet, het is die onwaarschijnlijke songcatalogus die het moet redden. En daarin zal het eveneens nog onuitgebrachte “Step Into The Light” ook niet lang bovendrijven.

Het maakt niet uit voor een band die na zo goed als veertig jaar carrière zijn strepen heeft verdiend. In het laatste half uur mag de tap eindelijk serieel hits schenken. “You Can’t Always Get What You Want” zingen The Rolling Stones steevast, maar bij The Cure komt het uiteindelijk altijd wel. In de derde bisronde, nadat je al stevig bent verwend. Dan krijg je er zomaar, voor niets, nog maar eens de Spiderman van “Lullaby” op bezoek, een euforisch dansend “Friday I’m In Love” en een “Close To Me” bij. Én een “Boys Don’t Cry” dat “Fear Of The Dark”-gewijs tot massaal joelend meezingen leidt.

Uiteindelijk stopt The Cure na dik twee uur en een half waar het ook acht jaar eindigde: met een huppelend “Why Can’t I Be You”. De vergelijking dringt zich meteen op, en dan blijft de conclusie niet lang uit: we zagen deze band toen in betere vorm, met een betere dwarsdoorsnede uit het oeuvre. U hoort ons echter niet klagen: afwisseling muss sein, maar aan gemiddeld zestig euro per zitje mag Het Sportpaleis wel eens iets doen aan de geluidsmix. Met The Cure hebben we echter graag opnieuw afspraak binnen acht jaar.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in