Had de wereld nog nood aan ronkende Neil Younggitaren? Ja, zegt John Ross, en met Wild Pink liet hij dinsdagavond in de Botanique horen waarom. Dat het een gevecht tegen de geluidsmix was, hielp niet, maar zelfs dan was duidelijk dat deze man grotere podia verdient.
Geen nieuweling, deze John Ross. Met Still Coming Down bracht hij deze week zijn zesde plaat uit als Wild Pink, maar voor het eerst lijkt het een volledig schot in de roos. Dat heeft veel te maken met het geluid van die plaat, waarin elke song in een bad van gruizige, vervormde gitaren is gedompeld zonder ook maar iets van melodie te verliezen.
’t Is een plaat dus die Een Klank heeft. En dat maakt het des te jammerder dat de soundcheck deze namiddag duidelijk niet grondig genoeg is gebeurd. Het duurt een half concert vooraleer Wild Pink een beetje wil klinken zoals het moet, en dan zijn al heel wat prijsbeesten ietwat strompelend naar de eindmeet gesukkeld; we hadden ze liever in betere omstandigheden gehoord.
Natuurlijk had “Dulling The Horns” zijn warme ronk, maar waar was Ross’ zang? Diep in de mix, mijnheer. En in “Box Store”, de puike opener van dat nieuwe album, is het geluid een soep die door een schrille mondharmonica helemaal schift. Gelukkig ligt de pedal steel van Xandy Chelmis wel mooi ingebed in het groepsgeluid, mislukt dat toch al niet.
“Round Of Applause At The End Of The World” wordt er net als op plaat achteraan geknald, en dat werkwoord mag letterlijk genomen worden. Gek genoeg voelen de overstuurde gitaren die ook nu uit de boxen spatten hier minder extreem. In een livecontext klinkt alles sowieso wat vuiler. En zie, in “Cloud Or Mountain” vindt Ross een extra distortionpedaal, en gaan de gitaren ook hier vies in het rood.
Het is allemaal heel erg Neil Young, zoals Ross daar ook in zijn flanellen hemd horkerig over zijn gitaar staat gebogen. En dan doet het ritme in “Plates Keep Spinning” dat dingetje waarvan je meteen denkt dat hij het alleen maar van Don Grungeone kan geleerd hebben. Noem het: de bevestiging van wat je al dacht, al had je het ook al kunnen afleiden aan “Bonnie One”, een triomf van brommende, schurende en loeiende gitaren, of het wel erg bevlogen snarenwerk van “500 Is The New 250”. We zijn er overigens nog altijd niet uit of die laatste songtitel nu slaat op de huurprijzen in New York of toch nog iets anders.
Ross is niettemin geen slaafse kopiist, doet lekker zijn eigen ding, en als dat wil zeggen dat hij er ook even een War On Drugsgitaartje moet in smijten, dan doet hij dat. Het maakt “Simple” een klein hoogtepuntje. En ook in afsluiter “Sprinter Brain” moeten we aan Adam Granduciel denken bij dat tikkende krautrockritme dat de song voortjaagt. Onwillekeurig vraag je je af wie de eerste “Whoo!” zal lossen, maar zowel publiek als Ross beseffen dat dat een foutje zou zijn.
Net zoals Still Coming Down zich met drieëndertig minuten tevreden stelt, is dit optreden al na een uurtje om. John Ross is een man van beknoptheid. Het is dat het seizoen nog niet voorbij is en een festivalset nu eenmaal niet langer mag duren, dus: vooruit dan maar. Maar volgende keer verwachten we meer. Daar smaakte Wild Pink vandaag immers naar.



