Het is zondag 2 augustus, en Lokeren werd overspoeld door mannen en vrouwen in het zwart: van gothic tot punk, vandaag keerden we ruim veertig jaar terug in de tijd, naar het begin van de jaren 80.
Wie beter om de brug tussen 1982 en 2026 te maken dan Gavin Friday? Sinds Ecce Homo uitkwam in 2024 is de Ier aan een tweede jeugd bezig, en na eerdere optredens in Gent en Leuven komt hij in Lokeren zijn boodschap van verzet en punk, overgoten met een luchtige saus vol liefde en warmte, verkondigen.
Een ding moet je de Ier nageven: hij weet hoe hij een entree moet maken: volledig in het zwart, de schedel schittert als een discobal, zijn felrode lippen doen de zon verbleken en zijn zwartgeblakerde nagels klauwen vervaarlijk. Ook de lichtshow verschilt met de vorige optredens: een eerder industriële ook, met sobere lichteffecten en een enkele keer regenboogkleuren (“Church Of Love”). Ook punk uit de 21ste eeuw: water drinken uit een wijnfles genaamd Hérésie.
Friday trakteert een zwetend publiek op oude en nieuwe parels: van de pompende beats in “Lovesubzero” tot de striemende boodschap in “Ecce Homo”, luidkeels meegezongen door de eerste rijen: door de perfecte klank kunnen ze hem zelfs buiten het festivalterrein volledig verstaan.
De Ier is altijd blij om in België te spelen, het Belgisch publiek omarmde hem en bandmaat Guggi al in de jaren zeventig, toen The Virgin Prunes het probeerden te maken. Naast het obligate “Caucassian Walk” (ook deze keer vertimmerd en uitgekleed tot een dreigende industriële beat) krijgen we uit die periode ook “Baby Turns Blue” — nog maar zes keer live gespeeld, dixit Friday. Ook de iets jongere fans komen aan hun trekken met een ode aan alle transmensen in “Dolls”, terwijl “King of Trash” iedereens all time favourite is.
Gary Numan, die als jongere twintiger al twee wereldhits scoorde, mag daarna de weide de nacht insleuren. Die wereldhits waren voor Numan zowel een zegen als een vloek: ze gaven hem de vrijheid om zijn muzikale zin te doen, maar wat als de rest van de wereld je niet kan volgen, en de volgende wereldhits uitblijven? Koppig verder doen, dat is het devies van de Brit.
Kregen we bij Friday nog een mix van rock en punk, dan kiest Gary Numan volop voor de rock- en metalkant van de new wave. Het begint al met de podiumaankleding: subtiele lichten die verbonden zijn met golvende led-lijnen, die nu eens rood, dan weer groen zijn. Het benadrukt het dwingende karakter van de mokerslagen die gitarist Steve Harris en bassist Tim Slade consequent gedurende een uur uitdelen. Dat de twee mannen eruitzien als volleerde Voldemorts en boven Numan uittorenen, accentueert de sfeerschepping. Numan zelf ziet er al jaren uit alsof hij is weggelopen van de set van Dune of Star Wars: warrige haardos en een starre blik, benadrukt met zware eyeliner. Gelukkig neemt dit alles niets weg van de kwaliteit van de muziek, “Halo” en “Metal” bijten de spits af en we zijn vertrokken voor een vol uur gedegen rockspektakel.
Een aantal songs komen uit Numans laatste album The Intruder uit 2021, zoals het oosters klinkende “The Gift” en “The Chosen”. Hij brengt het allemaal vol overgave, danst zich de ziel uit het lijf en weet en passant ook zijn muzikanten op te zwepen. Vooral Harris laat zich al eens gaan in excentrieke danspassen, vooraleer hij weer de gitaar omgordt om een volgend gitaarsalvo de Lokerse lucht in te vuren. We staan erbij en vergapen ons aan zoveel muzikale bravoure.
Die twee hits mogen natuurlijk ook niet ontbreken: “Cars” klinkt koeler en punkier dan het origineel, en “Are Friends Electric” is de volwaardige afsluiter. En waarom “My name is Ruin” nooit een hit geworden is, is een raadsel. Het heeft alles: radiovriendelijk, maar toch de nodige rock en punk, een catchy refrein. Gary Numan kwam, zag en overdonderde een uitzinnig publiek. Enige minpuntje: behalve enkele monkellachjes en een bedeesd “Thank you” op het eind was er geen interactie met het publiek – maar dat is eerder spijkers op laag water zoeken.
En dan de headliner waar iedereen al uren zat op te wachten. Phil Oakey en de zijnen zijn bijzonder geliefd in België, vandaar dat deze dag al een tijdje uitverkocht was. The Human League waren in hun gloriedagen niet uit de hitparades te slaan, en dat resulteert nu nog steeds in een schare trouwe fans. Ook hier zijn de visuals verzorgd en passen ze perfect bij de songs. En wat alle groepen vandaag ook gemeen hebben: na al die jaren blijken de stembanden nauwelijks aangetast.
Maar terug naar The Human League: hoe anders een show te starten dan met “The sound of the Crowd”? Met zijn bonkende drumsalvos en keytars en de perfect passende stemmen van Oakey en zangeressen Joanne Catherall en Susan Ann Sulley is het als een open deur intrappen, het publiek reageert al direct uitzinnig en danst zich in het zweet.
Hét album dat de groep indertijd op de kaart zette is uiteraard Dare, met die overbekende hit “Don’t You Want Me”, maar ook “The Things That Dreams Are Made Of” mag er wezen: een droge elektronische beat schalt door de lucht. En “The Lebanon” werd dan wel in 1984 uitgebracht, veertig jaar later is de tekst nog steeds relevant (“He left his home the week before, he thought he’d be like the police, but now he finds he is at war, weren’t we supposed to keep the peace?”).
En dan begint het wat in te zakken: ook al is The Human League een van de grondleggers van het synthpopgenre, toch haalt niet alles wat ze uitgebracht hebben hetzelfde niveau. Gelukkig weten ze nog sterk af te sluiten met “Human” en “Fascination”. En vergeten we niet “Being Boiled”, na al die jaren toch nog steeds een kippenvelmomentje.
De conclusie schrijft zich na deze zwartgetooide dag vanzelf: new wave is nog lang niet dood.



