Er was een tijd waarin de Italiaanse regisseur en scenarioschrijver Paolo Sorrentino – die op z’n vijfenvijftigste productiever is dan ooit – het brede publiek moeiteloos wist in te palmen, maar tegenwoordig lijken zijn films toch minder weerklank te vinden. De onvoorwaardelijke fans van de gewezen Oscarwinnaar zullen het niet graag horen, maar het mindere succes zou kunnen te maken hebben met het feit dat het niet te ontkennen valt dat Sorrentino steeds hetzelfde stramien toepast en daardoor veel van zijn pijlen heeft verschoten.
Vorig jaar bracht hij met Parthenope – genoemd naar een figuur uit de Griekse mythologie – hulde aan zijn geboortestad Napels. Zoals wel meer bij Sorrentino baadde de film in een uitgesproken visuele weelde, maar inhoudelijk stelde de prent amper iets voor. Ook voor La Grazia blijft de cineast eenzelfde koers varen en doet hij soms weinig meer dan wat gebakken lucht verkopen.
Gelukkig wordt La Grazia gedeeltelijk gered door de aanwezigheid van Toni Servillo. Voor zijn stoïcijnse vertolking werd de Italiaanse karakterspeler bekroond op het filmfestival van Venetië. De fetisj-acteur van Sorrentino kruipt in de huid van de fictieve president Mariano De Santis. De regisseur van het bejubelde La Grande Belleza en The Hand of God buigt zich vervolgens over de laatste zes maanden van diens ambtstermijn. Door z’n stugge, gereserveerde houding en de manier waarop hij aan politiek doet, heeft de man zich niet bepaald geliefd gemaakt bij de bevolking. Hij lijdt een eenzaam bestaan, rouwend om het verlies van zijn dierbare echtgenote. Worstelend met z’n eigen sterfelijkheid raakt het staatshoofd verwikkeld in een morele crisis.
Het grootste deel van de film speelt zich af in de gangen en majestueuze vertrekken van het presidentiële paleis waar de protagonist zich welhaast als een kluizenaar heeft teruggetrokken. De Santis leeft er in twijfel omdat hij wordt aangezet een euthanasiewet te ondertekenen die indruist tegen zijn katholieke overtuigingen en daarnaast ook moet beslissen over het lot van twee moordenaars.
Qua concept leunt La Grazia vrij dicht aan bij Il Divo, Paolo Sorrentino’s gelaagde portret van de ongrijpbare Italiaanse premier en voormalig jurist Giulio Andreotti, maar verder stopt iedere vergelijking met deze biopic uit 2008, die met voorsprong nog altijd Sorrentino’s beste film is. In tegenstelling tot Il Divo wordt de plot van La Grazia niet gedomineerd door corruptie of schandalen – De Santis wordt veeleer afgeschilderd als een integer, doch onbuigzaam man die op zijn strepen staat en voor zover geweten is niet wordt gelinkt aan allerhande duistere praktijken. De staatsleider wordt heen en weer geslingerd tussen politieke verantwoordelijkheid en persoonlijk verlangen – wat zich vertaalt in een zeer wisselvallige mijmering over het leven en het verstrijken van de tijd.
Schoonheid en esthetiek zijn zoals steeds in het oeuvre van Sorrentino prominent aanwezig en La Grazia vormt daarop geen uitzondering. Sorrentino zou Sorrentino niet zijn als hij niet voor honderd procent zijn stempel zou drukken op deze film. Hier evenwel geen taferelen vol decadente uitspattingen maar een eerder ingetogen, elegante stijl – met strak afgemeten beeldcomposities, een tot in de puntjes verzorgde fotografie en veel scènes in slow-motion. Sorrentino suggereert daar echter diepzinnige betekenis mee waar we vruchteloos het raden naar hebben. Ergens doorheen het verloop van de film lijkt de cineast even een nieuwe adem te vinden en lijkt er een kentering aan te komen, maar wanneer Sorrentino’s maniëristische stijl uiteindelijk weer de bovenhand neemt, worden we meteen van deze illusie beroofd.



