Kort na de vorige eeuwwisseling sprak zowat de hele wereld over de Franse filosoof Henri Bergson (1859-1941) en was de aula waarin hij zijn openbare lezingen gaf al uren op voorhand volgestroomd. In 1928 werd hem de Nobelprijs literatuur toegekend maar de waarheid was dat zijn ster op dat moment al tanende was. De filosoof had zich toen ook al enkele jaren grotendeels uit het publieke leven teruggetrokken, al zou hij in 1932 nog zijn vierde hoofdwerk Les deux sources de la morale et de la religion publiceren.
Hoewel Bergson wel degelijk een invloed uitoefende op onder meer de Franse existentialistische filosofen (Jean-Paul Sartre, Maurice Merleau-Ponty, Emmanuel Levinas), het Amerikaans pragmatisme (William James) en de literatuur (Marcel Proust) ontstond er nooit zoiets als een “Bergsonschool” en zou zijn werk pas in 1966 opnieuw ontdekt worden dankzij Gilles Deleuze, die een boek aan hem en zijn filosofie wijdde. De voorbije tien jaar zijn verschillende van zijn werken opnieuw in Nederlandse vertaling verschenen, al is er van een echte revival geen sprake. Daarvoor blijft Bergson ondanks alles te veel een filosoof van zijn tijd, een die kort na de eeuwwisseling een antwoord gaf op de onzekerheid waarmee velen worstelden.
In Bergson. Een biografie (Bergson. Herald of a restless world) toont Emily Herring aan hoe en waarom Bergson op een bepaald moment de meest besproken en relevantste filosoof werd ondanks zijn hang naar een teruggetrokken leven en de nood om lang over een probleem na te denken alvorens iets aan het papier toe te vertrouwen. Zo zou Bergson slechts één werk publiceren op het hoogtepunt van zijn populariteit. In haar studie van Bergsons leven weet ze niet alleen aan te tonen hoe en waarom de “filosoof met het grote voorhoofd” ondanks zijn beperkte output aula’s liet volstromen, maar ook waarom de wereld in de jaren twintig zijn aandacht voor hem verloor, paradoxaal genoeg op een ogenblik dat hij professioneel zowat de hoogste toppen scheerde, zij het niet als filosoof.
In haar biografie kiest Herring, zoals de meeste biografen, voor een chronologisch verhaal dat vooreerst stilstaat bij de jeugd van Bergson en het gezin waarin hij opgroeide. Hierbij schetst ze niet alleen zijn aparte gezinsleven: Bergson werd geboren in een Joods gezin van Pools en Engels-Ierse oorsprong, dat verschillende malen verhuisde, maar groeide grotendeels op in internaten. Zijn intellect gaf hem immers via beurzen de mogelijkheid om aan het prestigieuze Lycée Fontanes (nu Lycée Condorcet) en de roemrijke École normale supérieure te studeren, waar hij steevast tot de eersten van de klas behoorde. Zoals veel van zijn tijdgenoten was hij in die tijd overigens ook een aanhanger van de Britse denker Herbert Spencer (1820-1903) die een synthese van het denken nastreefde waarbij wetenschappelijke en mechanistische principes achter alles scholen.
Wanneer Bergson, op dat ogenblik al filosofiedocent, evenwel Spencers ideeën wil toepassen op de fysica, stuit hij op het principe dat zijn verdere denken zal domineren: durée. Het is zijn visitekaartje in intellectuele en invloedrijke middens dat hem ook van een benoeming aan het prestigieuze Collège de France zou verzekeren. Herring merkt hierbij meermaals op dat Bergson enerzijds vooral naar een rustig leven van studie en contemplatie verlangt, maar er zich anderzijds ook van bewust is dat hij alleen via netwerken en sociale bezoeken bij invloedrijke personen zijn carrière kan vooruithelpen, en daar dan ook maximaal op inzet. Het is een paradox die zijn verdere leven zal tekenen: enerzijds is hij een teruggetrokken huisvader maar anderzijds zetelt hij (op latere leeftijd) in verschillende internationale comités.
Zover is het rond de eeuwwisseling echter nog niet, wanneer hij met zijn ideeën rond durée en het nog verder uit te werken vitalisme een snaar raakt binnen een samenleving die verlangt naar een uitweg uit de door wetenschappen en mechanistische determinisme gedomineerde wereld. Herring weet hier helder te beschrijven hoe Bergsons ster snel rijst doorheen heel Parijs, als de filosoof die een nieuwe wind laat waaien door een transcendentale filosofie te voorstaan, die bovendien aan de brede gedeelde verzuchting naar een meer geestelijke filosofie voldoet. Het succes van zijn openbare lezingen bij vrouwen, zorgt samen met het idee dat hij antiwetenschap zou zijn (Bergson zal dit zijn hele leven vergeefs trachten te weerleggen) voor de nodige kritieken en vergeefse schimpscheuten. Bergson is immers de filosoof van het moment, ook internationaal, en hij reist zelfs naar de VS en Cambridge, waar hij onbedoeld de dan nog onbekende filosoof Bertrand Russel (1872-1970) tot een vijand maakt.
Wanneer Wereldoorlog I uitbreekt, vergeet hij zijn eigen principes en positioneert hij zich als een uitgesproken nationalist die zich laatdunkend uitlaat over het “barbaarse Pruisen”. In de kater die volgt op de grote slachting klinkt Bergsons filosofie echter plots achterhaald. Wanneer hij in 1923 tegen zijn wil in met Albert Einstein in debat gaat over het begrip tijd, is de algemene consensus dat die laatste het pleit gewonnen heeft en de wetenschap opnieuw in het centrum staat. Voor Bergson is het een bittere pil, te meer daar het opnieuw het verkeerde idee bevestigt als zou hij geen kennis van wetenschappen hebben. Ooit was Bergson een antwoord op de verstarde academische filosofie, nu is hij er zelf het uithangbord van geworden.
Jammer genoeg laat Herring bij deze beschouwing na om kort te wijzen op de opkomst van zowel Ludwig Wittgenstein (1889-1951) als Martin Heidegger (1989-1976). Wittgenstein was een leerling van Russel en zou de analytische filosofie blijvend beïnvloeden terwijl Heidegger met het in 1927 gepubliceerde Sein und Zeit het Franse existentialisme diepgaand zou beïnvloeden. Net als Bergson voor hem, wisten beide filosofen de tijdsgeest vast te grijpen, en Bergsons laatste grote werk over moraal en religie uit 1932 verdwijnt hierbij in het niet, al heeft het volgens Herring nog relevante zaken te vertellen over de toenmalige maatschappij.
Henri Bergson. Een biografie bereikt het doel dat het vooropgesteld heeft. Het geeft een helder beeld van Henri Bergson, zijn opkomst en langzamere zelfgekozen verdwijnen van het toneel. Herring maakt bovendien duidelijk geen intellectuele biografie te schrijven, waardoor Bergsons ideeën slechts zijdelings aan bod komen. Het is jammer dat ze hier weinig op ingaat, temeer daar haar stelling is dat Bergsons succes net te danken was aan het feit dat zijn ideeën een nood beantwoordden die leefde onder zijn tijdgenoten. Daarnaast vermeldt ze verschillende denkers, auteurs en andere grote namen waarmee Bergson in contact kwam zonder die banden vaak nader te onderzoeken.
Herrings biografie blijft op verschillende vlakken te oppervlakkig en louter beschrijvend om echt te beklijven. Al is het uiteraard geen sinecure om een biografie te schrijven van een filosoof die van mening was dat enkel zijn denken ertoe deed en ondanks zijn vele contacten en internationaal succes zijn privéleven afschermde en grotendeels om professionele redenen zich op allerlei evenementen vertoonde. Vanuit die optiek is Bergson dan ook een meer dan verdienstelijke poging om de filosoof voor wie ruim honderd jaar geleden de wereld storm liep, opnieuw onder de aandacht te brengen, en zal ze lezers er hopelijk toe aanzetten zijn werken ter hand te nemen.



