Ernst Jansz :: ”Dat mijn vader haar die andere man gunde, was wel heel bijzonder”

In de luwte van legende Doe Maar werkt toetsenist en oprichter van de band Ernst Jansz ook solo aan een mooi oeuvre aan luisterliedjes. Op het nieuwe Een liefdeslied vertelt hij het bijzondere verhaal van zijn vader en moeder, en hoe ze zich door alle tegenslagen rechthielden. ‘Toen ik voor het eerst in Indonesië kwam, besefte ik dat ik mijn moeder moest vragen hoe ze het in Godsnaam had gedaan.’

enola: Waarom wilde je nu een plaat maken over de relatie van je ouders?

Jansz: “Goeie vraag. Ik heb in verschillende van mijn boeken al stukjes van hun verhaal verteld, en ik weet niet meer precies wat de aanleiding was, maar plots vond ik het tijd worden om het eens helemaal te brengen. Ik vond het jammer dat dat nog niet gebeurd was, dat de geschiedenis niet van begin tot einde was verteld. En dus besloot ik om dat maar eens te doen.”

“Een tweede reden is dat ik tijdens de pandemie probeerde om liedjes te schrijven over de situatie in de lockdowns, maar de woorden niet vond. Toen gingen mijn gedachten naar mijn ouders, hoe ze samen de Tweede Wereldoorlog hadden meegemaakt, en ik ontdekte parallellen tussen beide periodes. Waarop de woorden voor liedjes me als vanzelf te binnen vielen.”

enola: Het hele verhaal, dat wil zeggen dat het ook gaat over twee mensen in het verzet, een man in een concentratiekamp, … Toch heet de plaat kortweg Een liefdeslied. Die relatie blijft de essentie?

Jansz: “Dat is voor mij inderdaad de kern van de zaak. Liefde is een van de mooiste verworvenheden, die net in dat soort moeilijke tijden een heel belangrijke rol kan spelen. Al die vreselijke dingen die in die oorlog gebeurden, de moeilijkheden die ze ondervonden in het verzet, werden eigenlijk overwonnen door de liefde tussen die twee mensen. Doordat ze die in stand konden houden, en voor elkaar bleven zorgen, ook al waren ze ver van elkaar verwijderd. Ze bleven toch aan elkaar denken, en voelden de steun van de ander aanwezig. Dat vind ik heel mooi.”

enola: In het boek bij de plaat kruip je in de huid van je moeder, en gebruik je haar woorden om het verhaal te vertellen. Waarom niet die van je vader?

Jansz: “Dat heeft een heel simpel antwoord: omdat ik mijn moeder heb geïnterviewd, ergens rond 1985, en eigenlijk heb ik dat bijna letterlijk overgeschreven voor het boek. Voor die passages waarin zij spreekt, moest ik niet in haar huid kruipen; ik had haar eigen woorden om haar te laten vertellen wat ze had meegemaakt.”

“Ik heb haar destijds heel uitgebreid uitgehoord. Gevraagd wat ze voelde bij wat er gebeurde, wat ze zich nog herinnerde, hoe het precies is gegaan. Ik had heel specifieke vragen, waarop ze ook heel nauwgezet antwoordde.”

enola: Veel overlevers van de Tweede Wereldoorlog waren niet happig om daarover te praten. Was zij gemakkelijk te pramen?

Jansz: “Dat is ook zo. Daar werd bij ons thuis ook weinig over gepraat. De heldenverhalen, de stoere momenten, die kreeg je soms, maar verder … neen. Maar eigenlijk denk ik dat mijn moeder blij was dat ze het allemaal eens kon vertellen, eenmaal mijn vader gestorven was. Ze vertelde het gretig, nam geen blad voor de mond en was heel open en eerlijk; bereid om alles wat ze zich herinnerde en daarbij gevoeld had te delen.”

enola: Wat voor vrouw was je moeder?

Jansz: “Ze kwam uit een straatarm arbeidersgezin uit Amsterdam-Oost. Haar ouders waren gescheiden toen ze vier jaar was en ze kwam terecht in een tehuis, onderhouden door de steun. En als je vroeger van de steun trok, kreeg je kleren van de steun, en kon iedereen zien dat je leefde van de steun. Dat vond mijn moeder ontzettend vernederend, en dus heeft ze zich als kind al voorgenomen dat arme milieu te ontstijgen. Ze ging als enige van de familie keurig Nederlands spreken, in plaats van plat Amsterdams. Trots? Neen, ze was bescheiden, maar wel sterk.”

“Eigenlijk was ze een heel eenvoudige vrouw, maar wel met een enorme ambitie om iets te bereiken in de wereld en het leven, maar aan de andere kant was ze graag gezien. Ik herinner me haar als iemand met een enorm gezond verstand, die met haar voeten op de grond stond. Ze hield niet van poespas. En zo heeft ze altijd haar eigen weg gevolgd, ondanks druk van buitenaf. Ook in ons gezin ging het zo toen mijn vaders concentratiekampsyndroom toesloeg, en mijn moeder zich aan hem moest aanpassen: toch ging ze haar eigen gang, volgens haar eigen inzichten. En toen hij overleden was, is ze opengebloeid, als een plant die veel te lang in de schaduw heeft gestaan en plots in de zon komt. Toen kon ze de hele sociale vrouw zijn die was. Iedereen mocht haar graag.”

Concentratiekampsyndroom

enola: Ik kan me voorstellen dat het in het interbellum en zelfs na de oorlog niet evident was om als Nederlandse vrouw een relatie te hebben met een man van Indonesische komaf.

Jansz: “Hij was inderdaad wat wij in Nederland een Indo noemen: een afstammeling van een Nederlandse man en een Indonesische vrouw. Gemengd bloed, dus, en daarom hadden ze een bepaalde status tussen Nederlanders en Indonesiërs in. Ze waren vaak heel Europees opgevoed, maar toch met een Indonesische inslag en ziel. Een aantal van hen is nog voor de oorlog in Nederland beland om te studeren, en die kregen dan Hollandse vriendinnetjes, want ze waren knappe, donkere jongens. De samenleving zag in hen geen bedreiging, want het waren meer intellectuele types, en heel aantrekkelijk voor de meisjes. Als je het zo bekijkt, was het eigenlijk best leuk.”

“Het onthaal van die relatie viel dus wel mee, maar toen hij eenmaal in Nederland was, heb ik wel gemerkt dat mijn Indische opa het toch moeilijk had met de manier waarop mijn vader en moeder met elkaar omgingen. In Nederlands Indië had je immers nog een enorme klassenmaatschappij en kon het absoluut niet dat Hollandse meisjes met Indo’s omgingen. Ik denk dat ze daar wel wat moeite mee hadden, dat het hier zo anders was.”

enola: Ondanks alle liefde was het geen gemakkelijke relatie. Al in de oorlog hadden jullie ouders wat tegenwoordig een ‘open relatie’ heet. Daar schrijf je heel mooi over in het nummer “Dansen met een ander”.

Jansz: “Ik heb briefwisseling tussen hen gezien van nog voor de oorlog, waaruit blijkt dat mijn vader een ander meisje gezien had. Mijn moeder schreef hem dat ze hem vergaf, maar dat hij moest weten wat hij haar had aangedaan. Dat vind ik heel sterk, en net daar viel mijn vader als een blok voor. Hij had helemaal niet verwacht dat ze zo zou reageren. Hij had gedacht dat ze heel kwaad zou zijn, maar neen.”

“Na de oorlog wilde mijn moeder vieren, maar mijn vader niet. Hij wilde de Nederlanders opsporen die zijn vrienden aan de Duitsers hadden verraden. En dus ging mijn moeder alleen feesten, waar ze een andere man leerde kennen: een volbloed Indonesiër waar ze een relatie mee begon. Dat mijn vader daar vrede mee had, is wel heel bijzonder. Het deed hem pijn, maar hij gunde haar dat. En ze gingen ook heel goed met elkaar om, zelfs toen mijn moeder later zwanger bleek van die ander. Dat vind ik een heel mooi en teder gegeven.”

enola: Heb je nooit overwogen om op de plaat als tegenhanger dan de kant van je vader te brengen?

Jansz: “Dat heb ik eigenlijk in een aantal nummers wel gedaan, zoals in “Dansen met een ander”, of “Nu jij dan bent geboren”, over dat meisje dat er dan is, en waar hij de zorg voor opneemt zelfs al is ze niet zijn eigen dochter. Daar kruip ik wel in zijn huid.”

“Als kind heb ik me heel erg met mijn vader geïdentificeerd. Hij was mijn grote held, ook nog toen hij last kreeg van dat concentratiekampsyndroom, en heel erg depressief enkel nog achter de kast zat. Mijn moeder nam toen een erg bescheiden plaats in mijn leven in, waarschijnlijk ook door wat ze meegemaakt had, dat kind met die ander dat door mijn vader was aanvaard. Ik weet niet of het schuldgevoel was, of eerder om evenwicht te brengen in het geheel, dat ze een stap terug deed. Ze was blij dat mijn vader zich bemoeide met het meisje, en met mij. Zo kwam zij voor mij op de tweede plaats. Ik heb haar in mijn gedachten lang wat verwaarloosd, en pas ontdekt wat voor een mooi mens ze was nadat mijn vader is overleden. Daardoor is de behoefte om me met haar te identificeren waarschijnlijk groter.”

enola: In de oorlog bleef je vader sterk. In “Als de avond valt” citeer je een brief van hem uit het concentratiekamp waarin hij hoopvol schrijft hoe de lente komt. Zijn weerbots is pas later gekomen?

Jansz: “Zo was het. Hij is eigenlijk ongebroken uit de oorlog gekomen. Hij is zich meteen gaan inzetten voor de onafhankelijkheid van Indonesië, want als hij net had gestreden voor de vrijheid van het Nederlandse volk dan was het niet meer dan normaal dat hij nu zou strijden voor de vrijheid van de Indonesiërs. Terwijl Nederland koste wat kost zijn kolonie terug wilde. Daar was het immers financieel afhankelijk van. En pas toen ik een jaar of tien, elf was, zakte hij in. Dan was het op, en werd hij heel kwetsbaar.”

enola: Zou je zeggen dat zijn concentratiekampervaring je vader fundamenteel onbereikbaar maakte?

Jansz: “Dat denk ik wel. Aanvankelijk niet. In het begin was hij nog best een krachtige man, maar tien jaar na de oorlog stak dat concentratiekampsyndroom toe, en is hij zich van het hele sociale leven gaan afsluiten. Hij bleef thuis, ging niet meer werken, ging dus zelfs letterlijk achter een kast zitten, en wij kinderen moesten ons aanpassen: altijd voorzichtig zijn, geen lawaai maken, zachtjes lopen. Hij was zo beschadigd dat hij niets meer kon hebben.”

“Hij had het er bijvoorbeeld heel moeilijk mee toen ik op mijn twaalfde naar de middelbare school ging, en mijn eigen leven begon te leiden, dat ik de wereld ontdekte. Zo werd ik op het lyceum verliefd op meisjes; fantastisch, maar mijn vader voelde zich daardoor enigszins in de steek gelaten. Natuurlijk was dat onzin, maar zo voelde hij dat wel, en daardoor was hij als vaderfiguur eigenlijk niet bereikbaar. Hij betrok alles heel fel op zichzelf, ging te veel van zijn eigen verdriet uit, zonder zich te bekommeren om de vader die hij zou moeten zijn. Ik heb net een liedje geschreven waarin ik zing ‘men kan zich wel vergissen wie de vader, wie het kind’, en zo was het wel als je naar onze relatie keek. Eigenlijk zorgde ik meer voor hem dan hij voor mij.”

‘Doe maar wat harder’

enola: Hoe was het voor jou om op te groeien met gemengde roots?

Jansz: “Ik had dat in het begin zelf niet echt in de gaten, want ik voelde me niet anders dan andere kinderen. Ik ben wel eens uitgescholden voor vieze vuile poepchinees, maar jongetjes die dat deden, vond ik gewoon stom. Ik leed daar niet onder. Maar gaandeweg kreeg ik wel door dat wij veel meer rijst aten dan andere kinderen. Later, toen ik besefte dat ik Indisch was, heb ik dat vooral als een rijkdom ervaren hoe ik twee culturen bij elkaar beleefde.”

enola: Later ben je veel gaan spelen in Indonesië. Hoe was het om daar te zijn?

Jansz: “De eerste keer was heel raar. Bij Doe Maar had ik “Rumah saya” geschreven over hoe ik me niet thuis voelde in dit land, maar er ergens een plek was waar ik dat wel kon: Indonesië. Heel veel tweedegeneratiemigranten denken immers altijd dat het land waar je vader vandaan komt het ideale land is. Nou dat was het niet, en dat was wel een schok.”

“Er waren dingen die ik herkende, zoals een warme glimlach terugkrijgen als je mensen aankijkt. Ik ben opgegroeid in Amsterdam waar mensen dan hun blik afwenden. In Indonesië lachen ze dan alsof de zon doorbreekt en dat vind ik heel mooi. En dat je elkaar lichamelijk kunt aanraken om vertrouwd met elkaar te zijn, wat ik van thuis heb meegekregen, was daar veel normaler dan in Nederland. Maar verder waren er heel wat momenten dat ik het land als héél anders ervaarde. En toen bedacht ik wel dat ik mijn moeder maar eens moest interviewen: ‘Mam, hoe hebben jullie dat toch gedaan samen, heel je leven lang zulke verscheiden achtergronden samenhouden?'”

enola: Ondertussen ben je halfweg de zeventig. Speelt je afkomst nog op zo’n leeftijd voor je?

Jansz: “Toch wel, er blijft een soort cultureel verschil, denk ik. In mijn laatste bandje zitten allemaal Indische jongens, en dat merk ik. Die zijn heel bescheiden, wat met andere muzikanten toch anders is geweest. Ik heb in mijn muzikale leven vaak aan drummers, bassisten of gitaristen moeten vragen of het wat zachter kon. Dan keken Nederlandse muzikanten me aan alsof ze het in Keulen hoorden donderen. Mijn Indische muzikanten moet ik af en toe eens vragen of het ook eens wat harder kan.”

“Ik weet niet of ik het mag veralgemenen, maar: de Indische muzikanten waar ik mee speel, zijn ook niet bang voor de stilte. Nederlanders willen altijd alles opvullen, ze weten zich geen raad met een pauze. Dat zijn verschillen waar ik nog dagelijks mee word geconfronteerd. Ik ben dus heel gelukkig dat ik zo’n bandje gevonden heb. Zeker voor de luistermuziek die ik nu uitmaak, die helemaal uitgaat van de teksten. Dan is het fijn dat ze aandacht en respect daarvoor hebben, want dat mis ik soms wat in Nederland. Niet in Vlaanderen. Jullie zijn veel meer tekstgericht, en dat is fijn.”

enola: Een liefdeslied is niet je eerste combinatie van boek en plaat. Wat haal je uit die dubbel?

Jansz: “Dat is gegroeid uit de vaststelling dat als je een plaat maakt, en die doet niet echt iets, die gewoon wordt vernietigd: alsof ze nooit heeft bestaan. Een boek dat geschreven is, blijft altijd. Dan komt het in tweedehandswinkels terecht. Vandaar bedacht ik dat als ik mijn cd’s in een boek steek, ze net zo lang blijven bestaan. En zo heb ik in 2006 Molenbeekstraat gemaakt als boek met een cd bij, en ik ben ontzettend blij met die combinatie. Ik vind het heel mooi om zo te werken.”

enola: Muziek en schrijven zijn meteen twee creatieve talen om je te uiten. Welke zou je het moeilijkste kunnen missen?

Jansz: “Muziek, en dan vooral: muziek maken met elkaar, met vrienden. Dat is voor mij toch het belangrijkste. Ik denk dat ik het zonder muziek misschien wel niet zo goed gered zou hebben in mijn leven. Toen ik dat na het overlijden van mijn vader even kwijt was, ben ik zelfs in een depressie terecht gekomen. Ik heb me altijd vastgehouden aan muziek. Dat was de geliefde die mij nooit in de steek heeft gelaten, en aan wie ik altijd trouw ben gebleven.”

“Muziek is ook zo direct dat het mensen verbindt. Ik weet niet hoe het in België is, maar we zitten in Nederland met een erg gepolariseerde bevolking en dan zie ik van op het podium mensen van rechts en mensen van links. En die worden allemaal ontroerd door het liedje dat ik zing. Dat is toch fantastisch, dat muziek die functie kan hebben?”

(Geen) intermezzo

enola: Ik vind het opmerkelijk hoe je de laatste decennia ook opnieuw met CCC Inc, het bandje dat je al in de jaren zestig had, bent gaan opgetreden. Voelt het een beetje alsof Doe Maar niet meer dan een intermezzo was in je muzikale leven?

Jansz: “Het was enorm leuk om daar opnieuw mee op te treden, tot zelfs nog enkele jaren terug. Dat is ook het mooie van groepjes. Samen muziek maken schept zo’n mooie band, dat gaat eigenlijk nooit verloren. Je bent vrienden voor het leven. En dat gaat op voor zowel CCC Inc, mijn huidige band, als voor Doe Maar. Je bouwt heel intieme relaties op met die mensen.”

“En ja, aan de ene kant lijkt Doe Maar zo een intermezzo, maar aan de andere kant heeft die band natuurlijk een enorme invloed op mijn leven gehad. Van het ene moment op het andere werd je van muzikant tieneridool; dat had natuurlijk zijn impact. Popsterren overleven zoiets niet altijd even gemakkelijk, het is mooi als je daar goed uitkomt. In dat opzicht was het een heel leerproces waar ik voor de rest van mijn leven veel aan heb gehad.”

enola: Zou je achteraf zeggen dat jullie ook wel geluk hadden dat jullie al niet zo jong waren toen jullie met Doe Maar doorbraken?

Jansz: “Dat heeft zeker een rol gespeeld, maar wat nog belangrijker was, is dat we het met zijn vieren konden meemaken. Als je dat op je eentje overkomt, is het veel moeilijker. Maar je hebt gelijk: ik denk dat de realiteitszin van een 32-jarige – wel een beetje raar (lacht) – groter is dan die van een achttienjarige. Wij konden met enige afstand de toestanden bezien, en bedenken hoe vreemd het was. Al werden wij natuurlijk ook meegesleurd. Het was fijn om ons daar ook wat in te verliezen en over te geven aan wat er aan de hand was. Maar tegelijk konden we ook duidelijk de hakken in het zand zetten en afremmen als het moest.”

enola: Je hebt vijf of zes decennia muziek in Nederland meegemaakt. Je hebt de scene wel zien veranderen, vermoed ik?

Jansz: “Eigenlijk niet. Vroeger was het als beginnend groepje zo dat je bijna niet aan de bak kwam, en dat is nog altijd zo. De reguliere radiostations hebben nooit één noot van CCC Inc gedraaid, en Doe Maar werd in de pers afgekraakt toen we populair waren. Pas toen wij in 2000 een soort revival hadden, kregen we erkenning. Zo is het in Nederland altijd geweest, en zo is het helaas nog altijd. Er gebeuren nog altijd best interessante dingen, maar die komen nauwelijks aan de oppervlakte want eerst moet je hits op Spotify hebben voor mensen willen luisteren. Pas als je succes hebt, geld opbrengt, is het goed. Dat is waar het om draait. Tja, we blijven een handelsnatie.”

Ernst Jansz speelt op 18 juli op de Gentse Feesten.

Beeld:
Mark Uyl

recent

Snocaps :: Snocaps

Rond 2004, op hun vijftiende, stichtten tweelingzussen Allison en...

Warhaus

10 december 2025De Roma, Borgerhout

Op de eerste van vier uitverkochte avonden in De...

Walter Ego :: Applaus vo de landing

Na een turbulente periode staat rapper Walter Ego tegenwoordig...

verwant

Festival Dranouter pakt uit met Doe Maar

Doe Maar, één van de populairste Nederlandse bands ooit,...

Lokerse Feesten strikken Doe Maar en Anouk

Doe Maar en Anouk spelen op zaterdag 5 augustus...

Henny Vrienten :: Nacht – De Soundtrack

De nacht. Een schuiloord om te ontkomen aan de...

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in