Zaterdag 11 februari
De tijd dat We Are Open een heldere dansdag en een rockdag had is voorbij. Was het festival gisteren een flipperkast die je van garage naar postpunk naar r&b en hiphop schoot, dan stuiteren we vandaag van retrorock naar sludge met een ommetje langs het Midden-Oosten. Moet kunnen.
Het is écht de waarheid, maar tot enkele weken geleden lazen we Rafael Valles Hilario’s eerste achternaam steevast verkeerdelijk als ‘Vanalles’. Tikje vreemd, maar gezien de staat van dienst van dit Antwerps woelwater ook niet zo vergezocht: labelbaas van Belly Button Records, drummer bij Mitraille, gitarist bij Brorlab, MOAR en The Jagged Frequency (RIP), tekenaar, producer, studio-eigenaar en nu hier op We Are Open met zijn soloproject Tuff Guac. Hilario heeft zonder twijfel een pak platen van The Oh Sees en Ty Segall in de schuif liggen – dat zijn er ook heel wat – want het café wordt volgeschilderd met dikke strepen psychedelische garagerock die zo uit de koker van John Dwyer en consorten komt gestuiterd. Begrijp daaronder: kekke riffs, gekke teksten, vlammende solo’s, frisse keyboards van Wim De Busser (King Dick) en een songstructuur of twee die op zijn kop wordt gezet. Dat is allemaal niet superorigineel – wel integendeel – maar wel puntig, plezant en stevig. En dat is al heel wat.
Het is nadien frustrerend hoe hard Annabel Lee net onder de lat door schiet. Het trio rond songschrijfster Audrey Marot grossiert in het soort indierock dat in de jaren negentig tot Pavlovreacties noopte; met een dikke producer in de studio gestoken wisten major labels hier altijd wel een one hit wonder uit te halen. In Trix valt het helaas allemaal een tikje dood. De gitaarlijnen blijken beter dan de liedjes die ze moeten dragen, de refreinen net niet genoeg catchy. We hadden nochtans zin in nog eens zo’n eendagsvlieg op zijn nineties. Zonde.
Groot is onze verbazing nadien als we ontdekken dat niet een of andere Nederlandstalige rapper – geef toe, het zou goed gekund hebben – maar Echo Beatty’s Annelies Van Dinter en Ottla-drummer Louis Evrard achter de naam Pruillip schuilgaan. Nog meer omvervallen bij het zicht dat beide muzikanten op elkààrs instrument aan het spelen zijn. En dan hebben we het nog niet over wat daar zoal uitkomt: loeiharde sludgemetal, verdorie, en nog niet half slecht ook. De dikke, stroperige gitaardrones uit Evrards gitaar en het complexloze, maar intense drumwerk van Van Dinter doen de pilaren in het café twijfelen aan hun bestaansreden, maar geven ook ruimte aan meer harmonieuze, soms zelfs bluesy intermezzo’s. Het doet heel erg denken aan drone-oerband Earth ten tijde van het legendarische Pentastar-album, en dat is geen belediging.
Ook niet mis: Use Knife is het nieuwste project van Stef Heeren (Kiss The Anus Of A Black Cat), die met Kwinten Mordijck en de Iraakse zanger en multi-instrumentalist Saif Al-Qaissy op hoogst eigenzinnige manier pikdonkere elektronica en zongedroogde Arabische muziek met elkaar versmelt. Noem het Chemical Brothers op een waterpijp, of Jerusalem In My Heart op new wave puntschoenen, maakt niet uit: het is trance-opwekkende, harde elektronica die voortdurend twijfelt tussen trippen en dansen. Dat hoor je vooral bij het bijna vijftien minuten durende “To Feed The Gentry”, waar de ellenlange aanloop het nummer bijna de nek omwringt, maar de hypnotische beat alsnog de meubelen weet te redden. Met de fikse adrenalinerush van slotnummer “Coupe d’état” –met de band volle bak in Front 242-modus – weet Use Knife zijn set knap af te sluiten, maar het is duidelijk dat er hier en daar nog wat aan het geluid moet gesleuteld worden. Aan de podiumact zal het alvast niet liggen: die vliesgordijnen en knappe visuals weten alvast wél te imponeren.
Aan The Yummy Mouths blijken we onze eigen versie van Parquet Courts over te houden. En om daar niet eens onnozel over te doen, serveert de groep gewoon ook zijn eigen versie van hun “Almost Had To Start A Fight / In And Out Of Patience”, lekker log en ploeterend. Het drietal beheerst dat soort geluid tot in de puntjes, brengt het vet, maar mist helaas nog de eigen songs om echt te heersen. En ‘een liedje dat gaat over de afwas doen’ zal het nooit ver schoppen, zelfs niet als de band er een gigantische funk-workout aan breit. Er is hier nog wat werk aan de winkel.
Aan de toog van welk muzikantencafé zou het idee voor Lander & Adriaan ontstaan zijn? ‘Hey, zullen we samen eens iets doen met jarennegentigtrance en zo?’ Zoals dat bij de projecten van Lander Gyselinck wel vaker het geval is, neemt het duo plaats op een podium in het midden van de zaal, en dat zorgt alvast voor een hilarische opkomst: ‘excuseer, mag ik door, ik moet hier even kunnen spelen’. De zee van tienermeisjes die aan de kant van de drummer heeft plaatsgevonden splijt gewillig. Aan de andere kant van het drumstel vindt hij Adriaan Van De Velde aka Pomrad.
Terwijl zijn kompaan er analoge breakbeats uitroffelt, gaat die loos op zijn batterij toetsen, samen maken ze dansmuziek voor die imaginaire Biskolom-club waar hun debuutalbum zich afspeelt. Het is dansmuziek voor intellectuelen, jazz die genoeg heeft van moeilijkdoenerij en de berg is afgedaald. Soms vraagt dat een Janet Jacksoncover, soms loeiharde drum-‘n-bass, soms iets dat naast Echt! heeft gelegen, en onwillekeurig vraag je je af hoe dit in godsnaam wérkt. Dat het dat doet is echter duidelijk; de grote zaal van Trix gaat uit zijn dak en laat zich gewillig meeslepen.
En zo swingt We Are Open zich naar het einde toe, met een editie die bewees dat het niet om namen draait. Dit festival heeft bewezen dat het zijn eigen merk is; wié er speelt is van secundair belang. Zolang er maar gespeeld wordt, zolang er maar muziek is, blijven we komen.



