Henri Roorda :: Mijn zelfmoord – Het vrolijk pessimisme

Henri Roorda werd in 1870 geboren in Brussel als zoon van de Nederlandse journalist Sicco Roorda, een criticus van het Nederlandse koloniale beleid en vriend van onder meer Multatuli en de anarchist Domela Nieuwenhuis, en groeide op in Zwitserland. Zijn leven lang zou hij in Lausanne blijven wonen waar hij werkte als leraar en auteur. Naast enkele activistische essays (vooral over onderwijshervormingen), toneelstukken, leerboeken wiskunde en volksalmanakken ontpopt hij zich onder het pseudoniem Balthasar vooral als auteur van stukjes voor verschillende kranten.

Van de ruim vijfhonderd stukken die Roorda schreef werden tijdens zijn leven verschillende gebundeld in publicaties als À prendre ou à laisser (1919) Le Roseau pensotant (1923), Les Almanachs Balthasar (1923–1926), Le débourrage des crânes est-il possible? (1924), Avant la grande réforme de l’an 2000 (1925) en Le Rire et les rieurs (1925). Postuum verschijnt Mon suicide (1926), door Jeroen Brouwers in het nawoord bij de Nederlandstalige publicatie omschreven als “de lucide verantwoording van een totaal niet zwartgallige, onchagrijnige filosoof, die aantoonbaar genoegen schepte in het zo sprankelend mogelijk formuleren van de aanleidingen en redeneren van zijn zelfverkozen dood.” Brouwers lovende woorden zijn niet overdreven want in het korte werkje, waarin Roorda ook verklaart dat een kogel door het hart minder pijnlijk zal zijn dan een door het hoofd, toont hij zich een begenadigd maar ook humoristische chroniqueur van zijn eigen leven en de maatschappij waarin hij leeft.

Van een apologie in de ware zin van het woord is geen sprake, toch maakt Roorda in Mijn zelfmoord een balans van zijn leven op, waarbij hij erkent rijkelijk geleefd te hebben en ook schulden gemaakt te hebben. Dat maakt van hem nog geen onverantwoorde klaploper, net zo min als zijn besef dat ook zijn huwelijk niet altijd even gelukkig was noch dat liefde zaligmakend is (“Zij beklaagt zich nooit, maar haar aanwezigheid is voor mij een verwijt.”). Roorda overloopt enkele van de belangrijkste bezwaren die fatsoenlijke mensen kunnen maken, er bestaan immers “twee soorten ploertigheid, die van misdadigers en die van fatsoenlijke mensen”, al hoeft de mens, ook de brave burger daarom niet op de schop genomen te worden. In het licht van zijn eindigheid is Roorda vooral minzaam, naar anderen en zichzelf. Waarom hij voor de zelfmoord kiest, kan hij niet helemaal duiden al is wel duidelijk dat de last van het leven hem te zwaar is gevallen: “Ik hou enorm van het leven. Maar om van het schouwspel te genieten, heb je een goede plaats nodig.”

De bitterzoete toon die in dit laatste werk naar boven komt, duikt ook geregeld op in de krantenstukjes die Roorda zijn leven lang schreef, al verraadt zich hier evenzeer de broodschrijver die niet altijd even scherp of origineel uit de hoek komt. In Mijn zelfmoord drukt hij de spijt uit nooit een boekje met de titel Het vrolijk pessimisme geschreven te hebben, hij is er intussen te oud voor geworden. Het pessimisme heeft te veel de vrolijkheid verdreven om nog langer het evenwicht tussen beide te behouden. Opvallend genoeg, zo merkt ook de Nederlandse vertaler en essayist Rokus Hofstede op, heeft niemand, ook postuum niet, de reflex gehad de titel voor een bundeling of bloemlezing te gebruiken. Zelfs het grotendeels verzamelde werk, voor het eerst gepubliceerd in 1969 en in 2011 in een uitgebreidere versie heruitgebracht, houdt het bij een droge Oeuvres complètes.

Zoals in zowat alle verzamelde werken, in het bijzonder wanneer het tijdsgebonden stukjes betreft die bovendien eerder uit financiële nood dan iets anders geschreven zijn, is het behoudens voor de verzamelaar, onderzoeker of `completist` weinig interessant om werkelijk alle teksten te lezen. Hofstede heeft er dan ook goed aan gedaan om voor een bloemlezing veeleer dan voor een `volledig` werk te kiezen. Temeer nog daar Roorda niet altijd schittert en in sommige stukken vooral op ervaring en talent steunt, veeleer dan werkelijk scherpzinnig uit de hoek te komen. Zelfs in deze beperkte selectie voelen sommige stukken aan als onnodige herhalingsoefeningen, al mag ook opgemerkt worden dat zoiets haast onvermijdelijk is wanneer het om teksten gaat die tussen 1917 en 1925 gepubliceerd zijn. Dat ze ruim een eeuw oud zijn, geeft een aantal onder hen ook een gedateerdheid waarbij sommige lezers zich ongetwijfeld ook (onnodig) zullen storen aan denkbeelden en visies die niet meer aansluiten bij het hedendaagse, verwachte gedachtengoed. Het zijn bedenkingen die niet mogen doorwegen bij de appreciatie van de betere teksten van Roorda, want die getuigen wel degelijk van een kritische en sociaal-bewogen geest.

Een mooi voorbeeld daarvan vormt het in 1919 gepubliceerde “Op de stoep zitten” waarin de auteur beschrijft hoe hij en een vriend op de stoep zitten en de mate waarin dit bij voorbijgangers hoon, spot en zelfs lichte agressie opwekt. Roorda besluit dat hij en zijn vriend de fatsoensregels van een maatschappij overtreden hebben, diezelfde maatschappij zo merkt hij op die er geen graten in zag om in de jaren ervoor een grootste slachtpartij onder jonge mannen te organiseren, omdat die geheel conform de regels verliep. De kracht van het stukje ligt in de achteloosheid waarmee het geschreven is en die op het einde zijn angel toont. Evenzo getuigt “Je zou best zonder kunnen” uit 1918 van een heerlijke satirische toon waarbij Roorda het lof zingt op een vriend die van steeds meer zaken afstand neemt, tot hij eindigt met zich zelfs van het leven te ontdoen. Ook “Reisimpressies”, waar hij de draak steekt met het verlangen te reizen, getuigt van een heerlijk gevoel voor (zelf)spot.

Dat verschillende van zijn stukjes meer dan tijdloos zijn, bewijzen ook “Heeft de voetganger recht op leven” uit 1923 dat de automobilist tegenover de voetganger plaatst en “Moeten we Nieuwjaar vieren?”, teksten die maar al te zeer de menselijke conditie schetsen zonder ze meteen binnen een groter of dwingender kader zoals de voorbije eerste wereldoorlog te plaatsen (een terugkerend thema bij Roorda). Zoals opgemerkt, zijn het in bijzonder deze stukjes die het (her)lezen waard zijn en het belang van Roorda als maatschappijcriticus maar ook als humorist onderstrepen. De belangrijkste waarschuwing hier geldt dat net zoals voor hedendaagse, gebundelde teksten opgaat, dat Het vrolijk pessimisme er geen baat bij heeft als het te snel genuttigd wordt. De stukjes verschenen met de nodige tussenpozen en worden dan ook best zo gelezen, wil men ze ten volle kunnen appreciëren. Want ook ruim honderd jaar later resoneren deze woorden nog altijd: “We hebben een vrij en vrolijk blad nodig dat de opscheppers, machthebbers en pedanteriken onvermoeibaar beschimpt uit naam van de oprechtheid en de onmogelijke gerechtigheid.”

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in