Station Eleven (Miniserie)

Een serie over een pandemie? Moet dat echt nú? Can’t you read the room? Toch wel. Station Eleven wist precies de juiste toon te vinden om op zijn plaats te voelen in dit tijdsgewricht.

“Survival is insufficient”. Dat zinnetje keert altijd maar terug in Station Eleven, en als er een ding is dat we geleerd hebben de afgelopen twee jaar, dan wel dat. Want was het leven iets waard zonder concerten/films/theater/watdanook? Goh, een beetje, misschien, maar echt de moeite was het niet. Zonder cultuur was overleven ook maar dat: zonder al te veel verveling de volgende dag halen.

En daar had showrunner Patrick Somerville (The Leftovers, Maniac) u precies waar hij u wilde hebben. Of liever: daar had schrijfster Emily St. John Mandel u, want zij had dit hele verhaal al in 2014 neergepend, toen u nog dacht dat een pandemie iets uit de geschiedenisboekjes was. Het is griezelig hoe verbazend accuraat ze het allemaal beschrijft, die ziekte die begint als een verkoudheid, maar dan als een razende te keer gaat.

Het resultaat is wat het is: 99 procent van de wereldbevolking is dood, de rest probeert zich staand te houden in de wildernis die Noord Amerika is geworden. We springen twintig jaar vooruit. De schattige Kirsten uit de eerste aflevering (revelatie Matilda Lawler) is een bijna-dertiger en trekt rond met een reizend Shakespearegezelschap: The Travelling Symphony. Met hun huifkarren maken ze rondjes rond de Grote Meren, voeren hun kunstjes op, lachen en treuren, hebben lief en haten. Want dat is wat mensen doen, en altijd zullen doen. Enige probleem: een nogal vreemde vertegenwoordiger van het Museum der Beschaving probeert het gezelschap te overtuigen hun vast rondje te verlaten voor een bezoekje, nieuwsberichten over een vreemde profeet zaaien onrust.

En zo blijven we heen en weer schieten. Aflevering om aflevering krijgen we meer inzicht in hoe het de jonge Kirsten is vergaan. Even denk je dat haar tocht met redder Jeevan (Himesh Patel) het in The Road-sferen gaat zoeken, maar die afslag wordt flink genegeerd. Zo gaat het hier niet, dit is geen typisch post-apocalyptisch verhaal. Of net weer wel. Dit is hoe het waarschijnlijk eerder zal zijn: geen groots dramatisch lijden en vechten, maar een schuchter rechtkrabbelen, het stof afkloppen, en proberen iets nieuws te bouwen. Net als in The Leftovers weet Somerville hoe hij het verdriet van de overlevers een plaats moet geven, zonder dat het zijn verhaal zwartgallig maakt.

De sterkte is dan ook dat Station Eleven weigert om ook maar één moment zwaar op de hand te worden. Er is genoeg drama voorzien voor wie de zakdoekenindustrie graag steunt, maar met Cohen zijn er altijd genoeg scheurtjes waardoor het licht schemert. Waar mensen leven wordt gelachen, en dat is ook hier zo. Daarbij kan niet genoeg lof gaan naar Mackenzie Davis die de volwassen Kirsten gravitas weet te geven, maar ook precies genoeg aandoenlijke lichtvoetigheid.

Vormelijk zit het allemaal verdomd snor, met regisseur Hiro Murai die al van in de eerste aflevering harde nevenschikkingen tussen nu en toen niet schuwt. Op een bepaalde manier laat hij zo de vraag hangen wat nu eigenlijk het mooiste is: de cleane perfectie van vooraf, of de manier waarop de natuur haar rechten terugeist. Bloedmooi is de overgang dan weer van winter naar lente in aflevering vier. Muzikaal worden pakkende dingen gedaan met songs van Bill Callahan, Roy Orbison en anderen.

Uiteindelijk komt het allemaal neer op hoe we omgaan met wat ons overkomt. Station Eleven zet heden en verleden nadrukkelijk tegen elkaar. “All that matters is the now and what got us to this point. Because the past is a map, and it got us here”, zegt het personage Clarke ergens, en daar zet De Profeet een aflevering later maar wat graag “There is no before. Only what is to come.” tegenover. Alweer mag de toeschouwer zelf beslissen waar hij staat.

Het maakt de toon van Station Eleven bij momenten wat afstandelijk, maar die drempel wordt tegen het einde gesloopt in een finale die – we wikken onze woorden – de meest emotionele is sinds die van Six Feet Under. Met een scene uit Hamlet wordt op briljante wijze heel wat emotionele bagage uitgepakt, en meteen voel je als kijker nog eens hoe hard we kunst hebben moeten missen: daarin zit het leven, daarin zit de betekenis, dit is belangrijk. Of zoals dirigente Sarah het eerder in de serie samenvat: “We’re the traveling symphony. We travel for a reason. We burn the house down, then go! Just try to make the world make sense for a minute.”

En zonder dat, zo voelden we zelf ook wel de afgelopen jaren, is het leven maar flauwe truut.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in