Mark Lanegan :: Grey Goes Black

De bom dat Mark Lanegan plots overleden is, kwam bij fans en muzikanten overal, en zeker ook ten huize enola, hard aan. Een persoonlijk portret van een minzame, zwijgzame, maar bovenal getalenteerd songschrijver.

Het jaar was 2008, en op de radio regeerde een nieuwe golf The-groepjes die het Kanaal kwamen overgestoken. Grunge was al lang dood, Elliott Smith ook, en er mocht weer gefeest worden. Het was op zich wel een leuk feestje, zo op de tonen van Arctic Monkeys en godbetert Kaiser Chiefs. Maar toen kwam daar plots een nieuwe band onze tienerkamer binnengerold: The Gutter Twins. Dit was andere koek, dat hoorde ik meteen aan “Idle Hands”. “Nieuw” was ook niet echt de juiste term: Greg Dulli en die zwijgzame Mark Lanegan gingen al een hele tijd mee, las ik al snel. En ze torsten ook een hele geschiedenis mee, zowel muzikaal als persoonlijk. Het was een wonder dat de lever van Dulli het nog deed, en Lanegan had nog maar pas de drugs vaarwel gezegd na een zoveelste flatline. Ik herontdekte de jaren ’90 door de lens van Lanegan. Het was muziek en een bijbehorend verhaal dat héél ver af stond van de muziek van de late noughties, en van de leefwereld van een gemiddelde tiener op het doodsaaie Vlaamse platteland. Samen met het werk van Nick Cave, bood de muziek van Lanegan een uitweg naar een wereld van achterafstraatjes en demonische songs die zoveel spannender leek dan alles anders dat passeerde in die dagen. Ze deden ons beseffen dat rock zoveel meer kon zijn, zoveel dieper kon klauwen dan wat het in die jaren van luchtige nu-rave en uitgerangeerde feestpostpunk soms maar leek te doen. Later besef je ook wel dat het levensverhaal van de jonge Lanegan vooral overtrokken romantiek was, maar op je vijftiende mag dat nog een beetje.

Saturnalia, de eerste en definitief voor altijd enige plaat van duivelskoppel Dulli – Lanegan, werd het eerste album dat ik toentertijd netjes legaal downloadde via de Itunes bibliotheek. Achteraf bekeken niet per sé een hoogtepunt in het oeuvre van beide heren, maar zeker het openingsduo “The Stations” – “God’s Children” grijpt nog steeds naar de keel. Ik dook dan maar de vroegere discografie van het duo in: Gentlemen van Afghan Whigs kon me wel bekoren, maar het was toch vooral de intrigerende Lanegan die me naast de extraverte Dulli aantrok. En er was Bubblegum. Natuurlijk was er Bubblegum, een monumentale plaat die niemand Lanegan ooit nog zou afpakken. Wie “When Your Number Isn’t Up” ooit één keer gehoord heeft, vergeet het nooit meer. Dat de Belg Aldo Struyf een cruciale rol speelde (en voor altijd zou spelen) in het creatieve proces, maakte het verhaal alleen maar mooier. Het zijn verhalen die doen dromen.

In die late noughties was Lanegan vreemd genoeg vooral bekend om zijn vele samenwerkingen. Bij andere muzikanten wordt daar al wel eens smalend over gedaan, maar niet zo bij Lanegan. Er waren natuurlijk de platen met Isobel Campbell, die ongetwijfeld terecht de hemel ingeprezen werden. Ook naast haar was hij het zwijgzame standbeeld dat enkel zong maar onweerstaanbaar intrigeerde. Dat deel van je discografie moet hier ten huize nog eens uitgeplozen worden. Ik ben blij dat ik nog een deeltje van het Lanegan-verhaal achter de hand heb dat nog ontdekt kan en moet worden, als de tijd er rijp voor is. Ik draaide toen vooral de wat ondergesneeuwde platen met Soulsavers plat. Want de versie van “You Will Miss Me When I Burn” was op een herfstige zondagavond gepasseerd op Duyster en sloeg in als een bom. Ik zou Broken nog jaren blijven koesteren.

Op kot in een Vlaamse studentenstad aan de Dijle kwamen daar de jaren ’90 soloplaten van Lanegan, meer blues dan stonerrock, bij. In de platenwinkel lag er altijd wel een oude cd van Lanegan in korting, mooi meegenomen. De intensiteit van Whiskey For The Holy Ghost en Scraps at Midnight bleek ongenadig, de donkerte evenzeer: een parade van freaks aan de zelfkant van het leven, met empathie beschreven door Lanegan. “Riding The Nightingale” en “Praying Ground” werden vrienden voor het leven. “I’ll Take Care Of You” is nooit zo zacht maar urgent vertolkt als door Lanegan. De vele coverplaten en samenwerkingen van de zanger bleken bovendien een onuitputtelijke bron van inspiratie voor muziekquizvragen.

Bovendien verscheen er acht jaar na Bubblegum de briljante opvolger Blues Funeral (2012). Lanegan de soloartiest was weer helemaal terug, met Struyf en een hele roedel jonge Belgen aan zijn zijde. Zijn stem leek nog meer te zakken met de jaren. Het nieuwe, aan de lopende band verschijnend werk van Lanegan bracht hem ook aan de lopende band naar België. Mijn eerste Lanegan concert op Dour in 2013 staat nog steeds op mijn netvlies gegrift: buiten was het veertig graden, maar bij Lanegan in de tent heerste kippenvel en was de sfeer ijskoud. Een zacht “thank you” was de enige bindtekst van de stijve reus achter de microfoon, maar de muziek was van een intensiteit die je nog maar zelden kon aanschouwen. Een jaar later deed Lanegan dat nog eens over op Cactus, en gelukkig voor ons speelde Afghan Whigs op dezelfde dag: tijdens het optreden van die laatste rolde “The Stations” demonisch over het brave Brugse park.

Eerlijk gezegd waren we Lanegan de laatste jaren wat uit het oog verloren. De nieuwe platen wisten ons nog maar zelden zo te raken. Muzikale interesses verschoven. Maar zelfs dan was er in 2018 toch weer With Animals, opnieuw een sober plaatje met Duke Garwood dat je op ouderwetse Lanegan wijze meetrok in de diepzwarte krochten van de ziel. Meer recent vingen we geruchten op van een zwaar covid-ziektebed. En nu opeens de bom valt van het onverwachts overlijden van Lanegan, blijkt weer hoeveel de zanger voor zoveel anderen, en ook ons, betekend heeft. Zo gaat het soms met artiesten: ooit zo vormend, dan weer een beetje naar de achtergrond gedrongen door nieuwe en andere muziek. Maar écht verdwijnen doen ze nooit. Vaarwel Mark Lanegan, de minzame brombeer die ons, en meerdere generaties, altijd zal bijblijven.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in