Michel Foucault :: De woorden en de dingen

De Franse filosoof Michel Foucault (1926-1984) is vooral bekend om zijn filosofisch-historische reflecties op onder meer de psychiatrie (Folie et déraison. Histoire de la folie à l’âge Classique, 1961), geneeskunde (Naissance de la clinique: une archéologie du regard médical, 1963), het gevangeniswezen (Surveiller et punir: naissance de la prison, 1975) en de seksualiteit (Histoire de la sexualité 1-4, 1976-84, 2018). Als filosoof en kritisch denker verwierf hij evenwel vooral naam met de publicatie van Les mots et les choses: une archéologie des sciences humaines (1966), waarin hij zijn filosofisch denkwerk uiteenzette.

Foucault stelt zich in De woorden en de dingen tot doel de vraag te beantwoorden hoe sinds de zestiende eeuw “onze cultuur tot uitdrukking gebracht [heeft] dat er orde bestond en dat de ruil zijn wetten, de levende wezens hun regelmatigheid en de woorden hun aaneenschakeling en hun representatieve waarde te danken hadden aan de modaliteiten van die orde, welke modaliteiten van de orde zijn erkend, bevestigd en verbonden met ruimte en tijd (…)”. Aan de hand van de vermelde onderzoekthema’s of voorbeelden (de grammatica en filologie, de biologie (natuurlijke historie) en de politieke economie (leer van de rijkdommen)), wil hij met andere woorden onderzoeken hoe het denken over de wereld veranderde. Hij onderscheidt daarbij drie breuklijnen: de renaissance, de klassieke periode (Descartes tot Kant, 17e-18e eeuw) en tot slot de moderne periode.

Het is tijdens deze breuklijnen dat de zogenaamde wetenschappen ontstaan, en een nieuwe manier van denken en naar de wereld kijken. Om deze wijzigingen duidelijk te maken, baseert hij zich op wat hij zelf de archeologie noemt (hij zal deze methode beschrijven in L’archéologie du savoir, 1969) en de historisch-epistemologische aanpak zoals vormgegeven en bedacht door zijn oude leermeester Georges Canguilhem. Voor Foucault bepaalt de breuklijn of verschuiving hoe naar de mens en maatschappij als geheel wordt gekeken en staat de vraag naar waarheidsstreven centraal in plaats van het wetenschappelijke denken op zich. Een van de, of misschien wel de centrale stelling in De woorden en de dingen is dan ook de plaats die de mens binnen de (nieuwe) orde inneemt en hoe de focus naar hem verschuift als subject en object.

Volgens Foucault breekt de mens vanaf de renaissance geleidelijk aan met het goddelijk wereldbeeld van de middeleeuwen. Hoewel de wereld op zich nog steeds rechtstreeks kenbaar is, komt de mens niet langer tot deze kennis via een goddelijke oorsprong maar door de representatie: de werkelijkheid wordt vertaald in ideeën. Het cogito van Descartes treedt naar de voorgrond om de wereld te vatten, “wat kan ik kennen” is de vraag en die kan beantwoord worden, want de wereld wordt gerepresenteerd in ideeën en gevat in taal. Met Kant verschuift volgens Foucault hierna de vraag naar “hoe ik kan kennen”, waardoor het waarheidszoeken introspectief wordt. Twijfelde Descartes nog aan alles om daarna via het denken die twijfel weg te nemen, dan stelt Kant net dat kenvermogen centraal.

Voor hem is onze kennis van de wereld sowieso begrensd door de manier waarop we de wereld kunnen kennen met ons begrippenapparaat. Maar net als Descartes voor hem grijpt hij nog steeds naar een objectieve realiteit die hij “transcendentale realiteit” noemt. Het is dat wijzigen in denken terwijl vastgehouden wordt aan een objectief kennen dat voor Foucaults betoog cruciaal is: wordt eerst de kennis van de wereld herdacht, dan volgt erna het denken over kennis van de wereld, zonder dat een objectieve realiteit of waarheid zelf in vraagt wordt gesteld. Met Kant wordt echter een tweede belangrijke verschuiving merkbaar: de mens is niet langer subject maar ook object, hij wordt zelf een onderzoeksonderwerp. Die verschuiving luidt de moderne tijd in, zoals ook zichtbaar wordt in de beschreven disciplines.

Een kernbegrip in Foucaults denken vormt dan ook epistèmè, het is “de grondstructuur die samenhang verleent aan het weten en alle daarop gefundeerde vormen van kennis die door de wetenschappen in een bepaald tijdsbestek geproduceerd worden.” Het zijn deze opeenvolgende epistèmès die de essentie van het weten uitmaken en volgens Foucault zich vertalen in gelijkenis (renaissance), representatie (klassieke periode) en eindigheid (moderne tijd). Die eindigheid, die ook zal leiden tot het einde van de mens, wordt vaak begrepen als een anti-humanisme alsof Foucault het fysieke of wezenlijke einde van de mens beoogt. Maar wie het boek aandachtig leest, begrijpt dat hij veeleer hint naar een nieuwe breuk: het onderzoek van de mens naar zichzelf als object loopt ten einde.

De moderne mens sterft aldus samen met de dominante manier van denken en zal vervangen worden door een ander mensbeeld waarvoor Foucault nog geen naam heeft. Vooraleer daar aan te komen, legt hij echter een lange weg af. Om zijn verhaal tastbaar te maken en aan te tonen dat de eenheid van de woorden en de dingen net als het waarheidsstreven altijd een constructie is, grijpt hij terug naar uiteenzettingen over economie en biologie en hoe het denken over en de rol van taal zelf evolueerde. Deze reflecties zijn zeker niet altijd de meest eenvoudige en vragen een minimale kennis of begrip van een aantal termen. Het aan het boek toegevoegde glossarium is dan ook geen overbodige luxe om de terminologie van Foucault scherp in beeld te krijgen en het werk te helpen ontsluiten.

Maar zelfs met dat hulpmiddel zullen weinig lezers meteen alle finesses van De woorden en de dingen vatten, al klinkt de onderliggende boodschap nog zo helder. Een gedetailleerd begrip van het werk is niet nodig om de essentie te vatten, al blijft het indrukwekkend te zien hoe Foucault zijn visie uiteenzet. De breuk met de tot dan dominante Franse stromingen als het existentialisme en de fenomenologie (waarin de mens centraal staat), is definitief ingezet. Daarnaast vormt De woorden en de dingen ook een meer dan relevante aanvulling of liever onderbouwing op Foucaults kritisch-historische werken. Het is als een theoretisch kader dat de “praktijkboeken” ondersteunt. Om die redenen verdient De woorden en de dingen dan ook de aandacht van al wie geïnteresseerd is niet alleen in de filosofie van Foucault maar ook in de vraag naar wat waarheid is en waarom we denken dat ze bestaat.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

negentien − dertien =