White Light, White Heat :: Waarom The Velvet Underground ook na een halve eeuw blijft fascineren

“Elke band die die plaat kocht, stichtte later een eigen groepje.” Gaa-hááp. David Bowies citaat over The Velvet Underground is een slaapverwekkend cliché geworden. En het was overigens Brian Eno die het zei, als het niet nog iemand anders was – wie herinnert zich uiteindelijk iets van de sixties? Maar de essentie blijft: dat zootje ongeregeld uit het New York van de late jaren zestig is terecht niet verdwenen in de plooien van de geschiedenis, zoals een nieuw coveralbum en een documentaire van Todd Haynes bewijzen.

“Het waren de ritmes die me als eerste aantrokken”, zegt Matt Sweeney, het muzikale supertalent dat ooit aan de zijde van Billy Corgan het illustere Zwan bemande, maar nog veel bekender is van zijn eigen werk bij Skunk en Chavez. Net als The National-opperhoofd Matt Berninger, Kurt Vile, Courtney Barnett en zoveel anderen is hij betrokken bij I’ll Be Your Mirror, een plaat waarop een keur aan Amerikaanse indie-artiesten het legendarische Velvet Undergrounddebuut opnieuw uitvoert.

“Ik heb eerst hun tweede plaat White Light/White Heat leren kennen”, klinkt het bij Sweeney. “Het was dus toen ik “Sister Ray” hoorde, met die staccato hamerende gitaren en drums, dat mijn wereld plots veranderde. Niemand begreep beter hoe ritme werkte dan die band. Je hoort hoe ze zijn beïnvloed door de zwarte rock-‘n-roll en r&b uit de jaren vijftig. Lou Reed heeft altijd toegegeven dat Otis Reddings Live In Europe hem alles heeft geleerd over hoe ritme en beat met elkaar werken – zowel bij zang als gitaar, hoe je daarmee tegen de beat in kunt duwen. Luister maar naar hoe hij in “I’m Waiting For My Man” die eerste “I” zet. Die valt niet in, maar stuwt; het is opwindend, net als de kletterende gitaarklank van Reed en gitarist Sterling Morrison. Daarom gebruikte Moe Tucker trouwens geen cimbalen; om de gitaren toe te staan dat soort geluid te maken.”

En met dat nummer zijn we beland bij The Velvet Underground & Nico, hun debuut uit 1967. Want als één album iconisch is geworden, dan is het wel dat met de onmiddellijk herkenbare banaan van Andy Warhol. Het was immers die kunstenaar die halverwege de jaren zestig de jonge songschrijver Lou Reed en multi-instrumentalist John Cale onder zijn hoede nam. Hij maakte van hun groepje de vaste huisband voor zijn rondreizend performancecircus The Exploding Plastic Inevitable. De groep kreeg een reputatie van moeilijke, lawaaierige muziek. Grapje van Warhol: hij liet hen boeken voor een congres van psychiaters. Werd geen succes.

Folksongs

Werd ook geen hit, dat The Velvet Underground & Nico, waarvoor Warhol de groep paarde aan de Duitse chanteuse Nico. Tot Bowie, Eno en zoveel anderen na hen jaren later de lof van het album begonnen te zingen. En dat was terecht. Want hoe hard het woord ‘experimenteel’ ook nu nog aan het gat van The Velvet Underground kleeft: het zijn de songs van Reed die uiteindelijk zorgen dat alles daarrond overeind blijft. “Het zal nog niet zijn”, valt Sweeney ons bij. “Ze deden iets ongelofelijks door het geluid van de klassiekers van The American Songbook te paren aan de folksongs die Harry Smith begin twintigste eeuw in zijn Folk Anthology verzamelde. Nog eens “I’m Waiting For My Man”: dat is eigenlijk heel traditioneel opgebouwd, met heel folky akkoordenwisselingen. En dat gaven ze vervolgens peper in zijn gat door er die r&b-ritmes door te jagen.”

Maar ook experiment, dus. Neem nu “European Son”, het nummer dat Sweeney samen met Iggy Pop covert op I’ll Be Your Mirror: bijna acht minuten lang lijkt de groep te improviseren op één r&b-riffje, met een John Cale die wat klooit op zijn altviool, terwijl daaronder een razendsnelle bas op de loop gaat. Lou Reed lijkt af en toe maar lukraak wat te roepen – dat was niet zo.

“Rààr nummer, hoor”, zegt Sweeney – zelf ook bassist. “Ik zou het in mijn twenties niet hebben kunnen spelen. Alleen al hoe je die baslijn het hele nummer lang moet vasthouden zonder de intensiteit te verliezen, is uitdagend. Het is niet eens in één maatsoort geschreven, in het refrein moet je plots twee slagen meer tellen; dat soort shit, en toch jákkert het genadeloos voort. Je moet er voor gaan zitten om het uit te vogelen voor je het kunt spelen. Elke noot is meticuleus geplaatst, niéts improvisatie daar.”

Rare snuiter

Kon het anders, met een klassiek getrainde violist als John Cale in de rangen? De jonge Welshman was halverwege de jaren zestig naar New York afgezakt om bij componist La Monte Young in de leer te gaan, liep er Lou Reed tegen het lijf en ontdekte dat ook zo’n schrijver van klassieke popliedjes een rare snuiter kon zijn: Reed had voor zijn song “The Ostrich” ook al zijn snaren op dezelfde noot gestemd, precies zoals Cale dat deed voor Youngs oefeningen in de monotonie van de ‘drone’.

“Natuurlijk bracht Cale ook een Europese gevoeligheid naar Amerika”, zegt onze Velvetsfan. “In de nieuwe documentaire die Todd Haynes over The Velvet Underground maakte, laten ze een demo horen van “The Black Angel’s Death Song”, die precies klinkt als die oude Engelse folk. Dat is hoe dat nummer, dat je nu kent omwille van zijn nogal kriepende viool, begon. Het is prachtig om te horen.”

New York, jaren zestig, cool

“Geen succes? Komaan, ze hebben 60.000 à 100.000 exemplaren van dat debuut verkocht”, weerlegt Sweeney onze opmerking van daarnet. “Maar dat we nog over hen praten, heeft er vooral mee te maken dat ze zo verbonden zijn aan het verhaal van Warhol en zijn Factory. En eigenlijk stoort me dat. Waarom praat niemand over hun derde album? Dat was met songs als “Candy Says” en “Pale Blue Eyes” verdorie hun meest toegankelijke plaat! Daarom denk ik dat het bij Velvet Underground vaak niet om de songs gaat, maar om wat ze als cultureel icoon betekenen. Veel artiesten die naar die plaat verwijzen door ook in leren jekkers en met zonnebrillen op te poseren, hebben die plaat waarschijnlijk niet eens deftig beluisterd. Het is voor hen gewoon code voor “New York, jaren zestig, cool”. Dat is lui.”

Maar tegen dat derde album was The Velvet Underground natuurlijk een andere groep geworden. Zo ergens na White Light/White Heat uit 1968 was de muzikale rivaliteit tussen Cale en Reed ontspoord, en de songschrijver stelde Moe Tucker en gitarist Sterling Morrison een ultimatum: of Cale vertrok, of de groep stopte ermee.

De Welshman pakte zijn spullen en werd vervangen door een echte bassist: Doug Yule. Sweeney: “Dat veranderde de dynamiek natuurlijk helemaal. Waar The Velvet Underground voorheen werd gestuurd door het touwtrekken tussen Cale en Reed, kreeg die laatste nu een muzikant die hem gaf wat hij wilde, in zijn dienst speelde. En dat leverde ook briljante muziek op. Loaded, hun laatste wapenfeit, is het soort plaat waar eigenlijk iedereen van kan houden. Maar dan lees je dus dat die zo flopte dat Reed opnieuw bij zijn ouders moest gaan wonen, vooraleer zijn solocarrière een vaart nam. Man, wat een verhaal, die band.”

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

3 × twee =