Gunda

Een woord- en muziekloze picturale blik op het bestaan van een varken, kippen en een paar koeien – zonder dat er ook maar een menselijk personage in de buurt is en dat gefilmd zwart-wit. Gunda is niet meteen een evidente film, maar verschijnt in de zalen vergezeld van enthousiaste lofbetuigingen komende van onder andere Paul Thomas Anderson en Joaquin Phoenix.

Je zou Gunda van de in Rusland geboren filmmaker Viktor Kosakovskiy een documentaire kunnen noemen, maar dat zou nog maar eens de wat onzinnige grens tussen docu en fictie benadrukken. Het documentaire genre creëert even goed een louter filmische werkelijkheid als een fictiefilm dat doet en de claim op ‘waarheid’ en ‘authenticiteit’ die verondersteld is beide vormen uit elkaar te houden, is al sinds Nanook of the North en het latere werk van de Franse antropoloog-regisseur Jean Rouch, volkomen achterhaald (iets wat ook een prent als de recente Film Fest Gent -winnaar Petite Fille, bijvoorbeeld ruimschoots illustreert).

Gunda valt dan ook beter te omschrijven als een poëtisch-documentaire observatie, die probeert om de wereld van een dier te vatten in visuele kunst en die over te brengen op een menselijk publiek. Dat is geen totaal nieuw gegeven. Wie wil kan in sommige ‘shots’ in de film een moderne versie zien van de landschapsschilderijen met diverse boerderijdieren uit de Hollandse ‘gouden eeuw’ en ook in film experimenteerden bijvoorbeeld Claude Nuridsany en Marie Pérennou al een kwarteeuw geleden met een dergelijk concept in Microcosmos: Le Peuple de l’Herbe. Wel is het ontegensprekelijk zo dat de moderne digitale technologie veel verregaander mogelijkheden biedt dan toen.

Rode draad doorheen dit alles is het verhaal van het varken Gunda, dat een worp kleine biggetjes grootbrengt. In verschillende fases kijken we naar eerste stapjes en zogen en naar het ontdekken van de buitenwereld. Daar worden op tijd en stond nieuwe bewoners aan toegevoegd zoals koeien en een één-potige kip die in een fraai gekadreerd en met contrastregeling bewerkt beeld, het mooiste moment in de film toegemeten krijgt. De camera zit de ‘personages’ daarbij meestal dicht op de huid zodat de directe omgeving van dieren – hooi, gras of gebladerte – een prominente plaats inneemt. Het is duidelijk dat de film daarmee een aantal ideeën wil meegeven over de manier waarop dieren een eigen wereld hebben die meer is dan een functionele menselijke benadering als leveranciers van melk, vlees of eieren.

Dat is lovenswaardig, maar alles wat verkeerd zit in Gunda kristalliseert in een enkele sequens waarin een kudde uitgelaten koeien in slow-motion door het beeld dartelen: de zelfbewuste artistieke pose legt zoveel nadruk op hoe de kijker dingen moet zien, dat alles een averechts effect heeft. Hetzelfde geldt voor het uitmelken (pun intended) van de lieftalligheidsfactor van de kleine biggen. De eerste tien minuten gaat er een stille kracht uit van de observatie van het onbevangen spel van de jonge dieren. Die is volledig verdwenen wanneer we voor de vierde of vijfde keer naar hetzelfde tafereel kijken. Finaal wordt Gunda dan ook de das omgedaan door een tekort aan vertrouwen in het eigen concept. Aan de kijker wordt gevraagd om op een nieuwe en vrije manier de pure schoonheid van de getoonde fauna te contempleren. Die blik wordt echter dermate voorgekauwd en opgelepeld, dat er nog weinig ruimte overblijft om dat echt te doen. Dat ligt niet aan de soms sterke emotionele spanningsboog die Kosakovskiy in zijn film legt, wel in de manier waarop hij het niet kan laten zoveel manipulatieve knopjes in te duwen, dat we uiteindelijk nog weinig interesse hebben in waar het Gunda om te doen zou moeten zijn: het absorberen van krachtige beelden over een niet-alledaags onderwerp.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

9 + twintig =