Marc Sleen – De interviews

Het is een oud zeer, een dat Marc Sleen tot zijn overlijden in 2016 bitter stemde, maar sinds het stopzetten van Nero, in 2002, is de stripfiguur, net zo goed als zijn bedenker overigens, langzaam maar zeker uit het collectieve geheugen aan het verdwijnen. Op zich is dat de normale gang van zaken. Over honderd jaar spreekt niemand nog over u of mij. Maar tegelijk zorgt het, in het geval van Nero en Sleen, voor hartzeer bij menig stripliefhebber, al is die ondertussen mogelijk op leeftijd.

Wat evenmin helpt, is dat het in boekhandels en bibliotheken vruchteloos zoeken is naar biografieën van Sleen. Het laatste boek dat enigszins in de buurt kwam, was Yves Kerremans’ 50 jaar Nero, dat in 1997 Sleens creatie fêteerde. De auteur zelf, die bleef altijd in de schaduw van zijn creatie. Doordat, zoals in de inleiding van dit nieuwe boek aangegeven wordt, Sleen het grootste deel van zijn carrière alleen werkte, en bovendien de meeste van zijn leeftijdsgenoten het tijdelijke met het eeuwige verwisseld hebben, is het weinig waarschijnlijk dat nog een biografie gepend zal worden.

Een bundeling van de interviews die Sleen tijdens zijn leven gaf, is vast het dichtst dat we in de buurt zullen komen. In zijn eigen woorden ontdek je wat de kijk van de tekenaar was op zichzelf en de wereld rondom hem. Sleen, die naast Nerotekenaar vooral als safariliefhebber bekend stond, was een kenner van zowat alles wat in Afrika groeide en bloeide. Maar wie de vroegere albums boven haalt, merkt dat Sleen de neiging had de lokale bevolking op behoorlijk karikaturale wijze weer te geven. Net zoals zijn gebruik van het woord “neger” kan dat, voor wie niet meteen het slechtste in zijn medemens vermoedt, allemaal nog weggezet worden als passend in de tijdsgeest: misschien – wegens nog niet geboren – was het in pakweg 1965 perfect mogelijk een zwarte met dikke lippen te tekenen en geen racist te zijn. Het gebeurde immers, zo mag vermoed worden, zonder de kwaaie wil die vandaag doorgaans wel aan de grondslag van een dergelijke tekening ligt.

In het na 1968 in sneltreinvaart emanciperende Vlaanderen botst Sleen, op dat moment al een vijftiger, met de nieuwe generaties. In een Humo-interview in 1971 leggen Piet Piryns en Herman de Coninck Sleen het vuur aan de schenen, onder meer over zijn kijk op de vrouw. Sleen zet een boom op over de positie van de vrouw en die valt vandaag nog moeilijk te vergoelijken met begrippen als tijdsgeest. Of toch? Het zou op dat moment namelijk nog vijf jaar duren voor vrouwen binnen het huwelijk wettelijk op gelijke voet kwamen van hun echtgenoot. Gelijk loon voor gelijk werk wordt eveneens pas midden jaren zeventig in een wettelijk kader gegoten, op de volledige uitvoering is het trouwens nog steeds wachten.
In zo’n geval kan, om advocaat van de duivel te spelen, aangevoerd worden dat Sleen een kind van zijn tijd was, maar net zo goed kan de vraag gesteld worden of je eigen rechtvaardigheidsgevoel je niet kan vertellen dat die ongelijkheid, zacht gezegd, bizar is. Het blijft echter, als kind van een andere tijd, giswerk waar nooit een sluitend antwoord op gevonden kan worden. Wie vandaag Sleen aanwrijft een halve eeuw geleden een patriarchale seksist geweest te zijn, mag daarbij niet uit het oog verliezen dat hij met het vorderen van de tijd zijn standpunten heeft herzien.
Op andere vlakken had Sleen bovendien al inzichten die nu pas gemeengoed zijn: zo maakte hij zich in 1972 al druk over de impact van de luchtvaart op de natuur.

Net zoals zijn creatie was Sleen vooral een burgermannetje. Zij het, eveneens net zoals Nero, van het licht-anarchistische soort. Argwaan tegenover gezag is ingebakken, in het leven moet geleefd en genoten worden. Dat dat niet altijd makkelijk gaat, mag blijken uit de strips, maar net zo goed uit de interviews met zijn maker, die geregeld met sombere blik naar de wereld kijkt: van de Amerikaanse beestigheden in Vietnam tot de agent in de Brusselse straten die zijn macht misbruikt, het ergert Sleen.

Naast de besognes van de man en de striptekenaar, is Marc Sleen – De interviews niet alleen de alternatieve biografie van Sleen, waarbij je de evolutie meemaakt van een met branie gevuld jonkie naar een ietwat bittere oude man, maar tegelijk een blik op de plaatselijke samenleving in de tweede helft van de twintigste eeuw.

Dat daarbij voor ons, 21ste-eeuwers, hier en daar enige duiding nodig is, spreekt voor zich. Maar het hoge aantal voetnoten dat hier geserveerd wordt, lijkt een Neroiaanse grap. Het klopt dat veel politici van een halve eeuw geleden vandaag geen belletje meer doen rinkelen, maar dat uitgelegd wordt wie The Beatles waren, is tamelijk onthutsend.
Bovenal is het boek echter, hopelijk, een boeiend hulpstuk bij wie zich deze zomer, of later, wil laven aan een van de betere strips die dit taalgebied ooit gekend heeft. Als tijdsdocument staan zowel het boek als de stripreeks als een huis.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

drie × drie =