Jeroen Brouwers :: Cliënt E. Busken

Wie was het ook alweer die schreef: “Ik ben een God in ‘t diepst van mijn gedachten”? Juist, Willem Kloos. Als boegbeeld der Tachtigers poneerde de auteur in het betreffende vers dat de scheppende kunstenaar in zijn werk de grootste soevereiniteit en vrijheid bereikt, een ultiem wasdom van het persoonlijke. Een soortgelijke proeve levert Jeroen Brouwers met Cliënt E. Busken, de jongste en allicht laatste roman van het inmiddels meer dan tachtig jaar oud geworden icoon der Nederlandse letteren.

Brouwers katapulteert zijn lezers niet naar ergens heinde en verre. Het boek speelt zich immers integraal af in een rusthuis te lande, anno vandaag. Tot zover plaats en tijd waar een zekere E. Busken zich overgeleverd weet aan het verplegend personeel en de medebewoners van wat een verzorgingstehuis blijkt te zijn. De lezer reist ongeveer 250 bladzijden lang mee in het hoofd van de protagonist, een brein waarin hier en daar een hiaat opduikt, dat niet zelden met fantasie blijkt opgevuld te worden. Zo waant E. Busken zich een prominent figuur, iemand die excelleert in allerhande disciplines, een man die belangrijke contacten had doorheen de hele 20ste eeuw. Een God, kortom, zij het enkel en alleen in het diepst van zijn gedachten. De stemmen die rondom het hoofdpersonage opduiken, spreken immers over een dementerende wiens ambities stelselmatig gefnuikt werden. Uit ontgoocheling en frustratie, klinkt het, heeft E. Busken zich volledig teruggetrokken uit de wereld. Hij wendt voor niet te luisteren, en spreekt al helemaal geen woord. Een God, moederziel alleen met zijn gedachten…

Ich bin der Welt abhanden gekommen, zeg maar. E. Busken is alleszins iemand met veel culturele bagage – kan het anders wanneer Jeroen Brouwers de pen voert? De auteur gaat overigens ongewoon ver in het literair construeren van de uiteenvallende cognitieve structuur van zijn personage. Zo begint elk hoofdstuk met een zin waar de lezer middenin wordt geworpen, een gedachtestroom die op een willekeurige gebeurtenis uit de omgeving of een onverwacht opduikende herinnering aangrijpt en van daaruit verder kabbelt en meandert. Het getuigt van vakmanschap om simultaan het vocabularium en de grammatica te deconstrueren, en de roman toch tot een vast geheel te kunnen smeden. Zo verbastert E. Busken woorden, tuimelt hij als het ware over verschillende ideeën tegelijk, springt hij associatief met het denken om, enzovoort. Beckettiaans is dat de mist en het confabuleren van een Alzheimerdementie zich dus letterlijk in de taal nestelen, zij het dat Brouwers geen modernistische oefening voor ogen had. De lezer kan en mag nog altijd concreet meevoelen met E. Busken, die ondanks zijn tomeloze grootheidswaan en het masker van een oneindig superioriteitsgevoel alsnog enige sympathie losweekt.

Finaal is E. Busken, net zozeer als al wie hem omringt, per slot van rekening slachtoffer van een op hol geslagen denken, bovendien opgesloten in een lichaam waarover de geest almaar minder controle heeft. Het wekt naast afgrijzen dus mededogen, en het boek kan de kijk van de lezer op het cliché van de nors aftakelende bejaarde misschien veranderen. Precies op dat inhoudelijke spoor situeert zich echter ook de beperking van Cliënt E. Busken als roman. In het taalcarnaval leeft Brouwers zich ongeremd uit, en de ervaring is zonder meer extatisch te noemen. Desondanks snakt de lezer gaandeweg naar “iets anders”, onder de vorm van andere stijlmiddelen of een psychologische dieptewerking die in feite nooit echt ontluikt. Het maakt dat deze met de Libris Literatuurprijs bekroonde roman staat of valt bij hoe het publiek de taalvirtuositeit weet te smaken. Brouwers demonstreert nog maar eens eloquentie van de hoogste orde, maar aan de gevoelsmatige klasse van Bezonken rood, Geheime kamers of Datumloze dagen kan dit boek in geen geval tippen.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

veertien + zestien =