Jonas Cambien Trio :: Nature Hath Painted The Body

In ons hoofd blijft het Jonas Cambien Trio vooral de laatste band die we zagen voor die eerste kutlockdown, maar de heren zijn natuurlijk ook meer dan dat. Op zijn derde album bakent het Belgisch-Noorse drietal opnieuw een volstrekt uniek hoekje af.

Dat heeft deels te maken met de instrumentatie van piano, rieten en drums, maar nog meer met de eigenzinnige composities van de uitgeweken Belg, die voortdurend een spreidstand aanhoudt tussen strakheid en vrijheid, discipline en spontaniteit, experiment en toegankelijkheid. De muziek botst soms met een bijna karikaturale koppigheid, als een kind dat maar op diezelfde nagel blijft kloppen, maar combineert die regelmatig met een ontwapenende speelsheid en openheid. Een obsessie met vorm wordt regelmatig opgegeven (al is dat doorgaans maar tijdelijk) om vol verwondering en stijf van de cafeïne op onderzoek uit te gaan. 

Een stuk als “1 000 000 Happy Locusts” verspringt hoekig als een plagerig hinkelspel gebaseerd op aftelrijmpjes, maar kent ook dwarse uitweidingen met een haast manische intensiteit. Het is wat je ook nog eens terug hoort in het korte, bokkige “Tongues” of het struikelende “Herrieschoppers”, met die bonkende piano en ronkende basklarinet die soms voluit aan het balken slaat. Of “Yoyo Helmut”, met die zwierige melodie op een stug hamerende piano en een rudimentair ritme. Een muzikale flipperkast is soms niet veraf.

Maar als dat al een soort van verkrampende Tourette-aanpak suggereert, dan zijn er ook volop stukken die niet alleen opvallen door hun dwarsheid, maar de luisteraar ook naar binnen lokken met aantrekkelijk melodieën en frivole spelletjes. “Mantis” is er zo eentje, gebaseerd op een rondtollende folk-achtige melodie die binnenstebuiten wordt gekeerd en steeds bezwerender draait. Idem voor het statige “Bushfire” of afsluiter “Helium”, waarin een sleutelrol is weggelegd voor Cambiens romige orgelsound.

Het is het voortdurend haasje-over spelen dat ervoor zorgt dat Nature Hath Painted The Body zo blijft boeien, want voor elke track die je een prikkelende fantasiewereld in stuurt, is er ook wel eentje die je wakker schudt of even ongemakkelijk de oren doet spitsen. Zo ontspint er zich een duet van sopraansaxen (met Cambien als tweede blazer) in “Hypnos”, wordt gespeeld met allerlei percussieve ideetjes in “The Origins Of Tool Use” en krijgt het impressionistisch getinte “Freeze” iets dat uitmondt in een soort plensbui van klanken.

Doorheen de plaat valt vooral op hoe ongedwongen alles blijft. De speelsheid en het vermogen van Cambien en André Roligheten om vorm en vrijheid te balanceren geeft soms een update aan de interactie tussen Roland Kirk en Jaki Byard, terwijl Andreas Wildhagen laat horen dat je met eenvoudige ideeën soms voor verrassende effecten en contrasten kan zorgen. Het maakt van deze derde worp alweer een behendige oefening in transformatie, eentje die – net als de concerten van het trio – laat horen dat nog lang niet alles gezegd werd in de wereld van de avontuurlijke jazz. Opnieuw een heel fijn album van een band die klinkt als geen ander.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

elf + achttien =