Annelies Verbeke :: Treinen en kamers

Kunstenaars met enig besef van eigen waarde weten maar al te goed hoezeer ze in een traditie stappen van reuzen en monumenten en hoe hun eigen werk daartoe verbleekt. Meer dan eens durft men toch de stap tot dialoog te zetten waarbij het nieuwe kunstwerk als een antwoord op een meesterwerk geldt. Of het van hoogmoed dan wel een eerlijk verlangen tot gesprek of zelfs een nieuwe blik getuigt, blijft ten allen tijde open voor interpretatie en zou niet louter aan zijn artistieke waarde op zich gemeten mogen worden. Want als enkel dat laatste als criterium geldt, mag bijvoorbeeld de laatste kortverhalenbundel van Annelies Verbeke meteen op de schop.

Sinds haar debuut Slaap! (2003) geldt Verbeke als een van de Vlaamse auteurs die op geregelde tijd nieuw werk uitbrengt zonder echt uit de band te springen. Hoewel het debuut lovend onthaald werd en een hoge verkoopsoplage kende, lijkt haar schrijverscarriere daarna rustigere wateren opgezocht te hebben. Opmerkelijk, en lovenswaardig, is het feit dat ze als geen ander een pleidooi houdt voor het kortverhaal en daar met haar publicaties blijvend op inzet. Voor Verbeke is het kortverhaal, vaak stiefmoederlijk behandeld in de moderne literatuur, even waardevol als welke doorwrochte roman ook. Volgens bepaalde recensenten kan zelfs haar meest geprezen werk sinds haar debuut, Dertig dagen (2015), dan ook gelezen worden als een reeks kortverhalen die met elkaar verbonden zijn om zo een roman te vormen.

Hoewel haar laatste bundel Halleluja (2017) opnieuw duidelijk onderscheiden kortverhalen waren, droegen ze allemaal het thema van `einde en begin` en hoe het ene tot het andere kan leiden in zich. Ditmaal kiest ze voor een heel andere en potentieel ambitieuzere aanpak, in Treinen en kamers is elk kortverhaal geïnspireerd op een of meer klassiekers uit de wereldliteratuur. Een dergelijke keuze kan snel leiden tot een te slaafs navolgen en zelfs pastiche van het werk in kwestie of net zozeer een andere richting uitslaan dat behoudens enkele vage verwijzingen elke band doorgeknipt wordt. Slechts in uitzonderlijke gevallen weet het op zichzelf te staan en tezelfdertijd ook het originele werk te eren. In Treinen en kamers gebeurt dat laatste helaas te weinig.

Een van de grote struikelblokken bij verschillende verhalen in de bundel vormt echter niet zozeer de `last van het verleden` als wel de manier waarop Verbeke hedendaagse thema`s in haar werk brengt op een vaak pamflettaire en simplistische manier. Meer dan eens voelt het aan alsof ze de juiste `Woke`-velden heeft aangevinkt om haar verhaal een hoogdringendheid te geven die nergens aanslaat en zelfs storend aanvoelt. Hoewel thema`s als racisme, dsicriminatie en dergelijke ook een plek hebben binnen de literatuur dreigen ze indien niet goed gebracht, net de hele boodschap te ondergraven. Enkele mooie voorbeelden hiervan vormen “Matroesjka`s” (George Sand – Mauprat), “Om het even” (Mary Shelley- Frankenstein) en “Mantel der liefde” (Enhenduanna – De verheerlijking van Innaña).

Hoewel ze alledrie sterke verhaalelementen in zich hebben, moet Verbeke het seksisme en racisme in deze verhalen zozeer benadrukken dat het niet alleen een smet vormt op wat net een sterke boodschap had kunnen zijn maar ook de verhalen zelf een dissonante klank meegeeft. Het lijkt wel alsof Verbeke meent dat tenzij ze het expliciet spelt, de lezer de onderliggende boodschap niet begrijpen kan. Dat wordt nog veel duidelijker in het tenenkrullende “Wétiko” (Bartolomé De La Casas’ De verwoesting van de West-Indische eilanden), dat aanvoelt alsof een verontwaardigde puber aan het woord is. Als dit de bedoeling van Verbeke was, is ze daar perfect in geslaagd al maakt dat er nog geen boeiende leeservaring van. Op een heel andere manier even ergerlijk is het personage Gilles uit “Gilles en Edwin” (Gilgamesj-epos) dat iets wenst te zeggen over (mannen)vriendschap maar opnieuw als een onnodige klaagzang leest.

Nochtans weet Verbeke met enkele meer uitdagende werken net wel aan de slag te gaan zonder daarom de maatschappijkritiek te negeren. Zo weet haar moderne lezing van Homeros` Odyssee, “Verloren zang”, op een knappe manier de oorlog in Syrië en de vluchtelingenproblematiek treffend te vatten zelfs zonder in het foute cliché te stappen dat Odysseus een vluchteling was (hij wenst net terug te keren naar huis). Net zo geeft “Limbo” een eigentijdse lezing van Dante`s Inferno in de manier waarop het verhaal nog weinig met de bron te maken heeft. Hier toont Verbeke zich een geoefend verteller die in enkele pagina`s een hele wereld kan oproepen.

Helaas vormen dit soort verhalen de uitzondering in de bundel en varieert het merendeel van enigszins amusant tot zelfs ronduit irritant. “Deserteren” (Johan Wolfgang Goethe – Het lijden van de jonge Werther) spant hier de kroon door zijn navelstaardige reflectie op een schrijver terwijl “Lijst” Het hoofdkussenboek van Sei Shonagon oneer aandoet door het reduceren tot een opdrammen van lijstjes zonder verdere meerwaarde. Ook met Jonathan Swifts Gullivers reizen lijkt Verbeke geen weg te weten waarna ze de knappe satire reduceert tot een idioot kleuterverhaaltje zonder duidelijke richting. Gelukkig behoren deze miskleunen tot de minderheid al zijn er nog andere klassiekers te vinden waar Verbeke in deze bundel duidelijk geen antwoord op kan geven en dan maar wat losse gedachten bij elkaar gooit in de hoop dat het zo toch enig gewicht krijgt.

Hoewel Treinen en kamers vijftien verhalen telt, kan mits enige goodwill dan ook maar ongeveer de helft ervan als lezenswaardig beschouwd worden. In de andere verliest Verbeke zichzelf in een pamflettare verontwaardiging of lijkt ze eenvoudig weg haar boodschap niet over te kunnen brengen. Bovendien kan ze niet als de meest literaire of meeslepende auteur uit het Nederlandse taalgebied beschouwd worden. Hoewel een zeker vakmanschap haar niet vreemd is, is ze als schrijfster sinds haar debuut weinig geëvolueerd waardoor enkel de keuze van thema`s een meerwaarde aan nieuwe werken geeft. Wie in het verleden al niet door Verbekes werk overtuigd was, zal door deze bundel op een of twee teksten na, niet overtuigd worden. Wie haar al langer volgt en waardeert, zal hier nog enig leesplezier aan overhouden, maar zelfs dan zal de eindconclusie luiden dat de bundel minder evenwichtig is dan ouder werk.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

twintig − zeven =